laten. En opeens, daar zet hij er zich over heen, en naar haar toe. En zoo zwaar en tegelijkertijd zoo doorstroomend van zalige geurigheid is dat nabybrengen van zijn direkte lijfelijke wereld aan haar, zoo schokkend is de sprong naar haar toe en zoo rijk de belooning van haar nabijheid, dat de enkele woorden die hij buiten zich brengt, haast onverstaanbaar schor vanuit zijn diepte tot haar opgaan. Pas als zij hem aanziet, zegt hij het, bleek:
„Ik wist het niet.”
Haar naam heeft hij toch niet durven uitspreken. Hij durft het hooge kansspel niet aan: öf het woord trilt in haar, zooals hij er zijn sprong mee zou uitbeelden, vanuit zijn afstand, als een in-bezitneming: „Louise.” Öf zij schrikt voor den hartstocht terug, en redt zich in verontwaardiging om die ongepaste vertrouwelijkheid. Nu antwoordt zij enkel met een blik, bij het tillen van haar hoofd en het kort optrekken van haar oogen. Het beteekent: „O.” De klank wordt vervangen door een kort afgebroken, wijs opzuchten van den mond. Die blik, die een paar seconden naar hem moet worden uitgezonden, komt als op scherpe teenen te staan, op den rand van het gebied waar de zijne hem in zijn omvangende hunkering en in de kracht van zijn wil zal doen verzinken. De blik wordt gaaf teruggenomen, en er is niet meer dan de spoedig onder den voet geloopen herinnering aan een boeienden afgrond. Zij gaat verder, zooals alles verder gaat. Zeker hier, tusschen al die blikken, waar hij al kan verwachten door de eene of andere hand tegen haar te worden opgeduwd, moet hij verder zwijgen. Hij blijft staan om haar voorbij te laten gaan. Zij zegt iets tot Mientje: „Die jonge trekt het zich zeker aan,” en Mientje wijsjes, behamert met plechtige hoofdknikken haar verbeterende verklaring: „Hij maakt z’n verontschuldiging.” Het is heiligschennis voor haar jegens Louise het woord „verliefd” uit te spreken, waarvan zij wel gehoord heeft.
Louise nog: „Zoo opgewonden hè?”
Zij lacht om het vreemde van de ontmoeting, een beetje gevleid door de grenzenlooze vereering van die in-borende, hechtende en rukkende lasso uit zijn diepte.
Eli weet dat zij de Mevrouw is, de Prinses, en Mientje is haar hofdame. Maar hij heeft nog geen tegenstand genoeg ervaren om al verslagen te zijn. Daar ziet hij Matthias nu, vóór in de gang, op haar toekomen. Hij vraagt wat Eli gezegd heeft. En Louise, half afkeerig van de vraag die haar te bemoeizuchtig is, half in verwende gemaaktheid tegenover het reëele vast-
195