zijn persoonlijke beleving. Hij schrikt er zelf van. En dan ziet hij opeens over de klas rond, weer fronsend, gehinderd, dreigend; dat is de koel-rechtvaardige leeraar, die zich de orde niet laat ontnemen. Er zijn twee leerlingen die gehinderd zijn. Leefmans zit tusschen zijn handen verzonken, zooveel mogelijk onttrokken aan de straal van gedachten die van haar naar hem kunnen uitgaan. En Louise van der Wal zelf zit ook rood verstoord; de aandacht hindert haar als had zij een onbetamelijkheid gedaan, en zij is nu woedend op Suze Penard, die de rel heeft aangehaald. Het zwakke dominee’s-dochtertje Mientje Wiegand met haar smalle fatsoenlijk kijkende spitse kopje op haar scheeve schouders, kiest Louise’s partij. „Akelige flapuit,” straft zij achter zich naar Suze. Zij heeft met Louise te doen. Maar Suze stiklacht: „Ik vin’t zoo eenig komisch,” roept zij kinderlijk, „’t staat die jonge zoo oer, kijk nou zelf’s.” Zij kijkt ook telkens naar Eli; eenmaal gluurt hij juist een tel om Paul heen naar haar kant: hij kan het onderzoek naar Louise niet heelemaal laten. Suze ontmoet zijn blik; haar lach krimpt samen, hoewel haar mond open blijft met de groote witte tanden, de bovenrij over de onderlip heen. Eli moet het een oogenblik in zich opnemen, eer hij zich weer afwendt: zij heeft iets voor hem van een klein, speelsch, verscheurend diertje. Mientje Wiegand wendt zich boos van haar weg, met een moederlijken blik op de onrechtvaardige gekweldheid van de fijne, mooie, en schatrijke Louise.
Eli’s uit de diepte opgekomen plan broeit in hem: haar aanspreken, iets tot haar zeggen, zich rechtvaardigen.
Het moet wachten tot het vrije kwartiertje. Het is een onderneming die hem steeds zwaarder ljjkt, maar die, toch zoet, allen wil daarvoor vrijmaakt en opzet, omdat hij het wonder moet verwachten van een toenadering, op den diepen grond van deze gebeurtenis. Zoolang het duurt, eer het oogenblik en hij naar elkaar toe zullen suizen, is er die opgerekte leegte in hem, en aan de toespitsing daarvan: het loeren naar dien sprong, die het uiterste beteekent van zijn durf. Hij is op de grens van het duizelen, als de lichamen zich van de banken losmaken om naar buiten te gaan. Tot het laatst toe blijft hij wachtend zitten. Zij komt niet langs hem heen. Zij gaat buiten zijn rij om, en hij zal dus naar voren moeten loopen. Het moet, of hij is niets. En hij wil niet niets zijn; wat er ook uit voortkomt: wat gebeuren moet, mag niet nagelaten. Het is wel verschrikkelijk om haar te naderen. Heel de diepe afstand stelt zich; hij peilt hem, en hij moet hem toch achter zich
194