gelijk zal geven omdat hij daar zoo vrijmoedig ging zitten met dat costuum dat in haar huis bij de vodden werd gegooid — dat is te vuil. Zoo wordt-ie nou met al z’n stank in één keer tegen haar aangesmeten: daar, heb je je aanbidder! Dat is of alle verhand van haar tot hem in de lucht uiteen spat, en hem wondt. Zoo vecht hij in zich naar alle kanten.
„Zeg, is het nou zoo, Leefmans?”
„Ik heb je toch strakkies al gezegd, wat ik er van denk....” „Wat dan?”
„Jullie kunnen allemaal stuk voor stuk schoon doodvallen.” Hij wordt giftig vandaag; een droppel van het troebel-heete bloed doet zich geprikkeld gelden in die beklemdheid.
„Ja jullie maggen het desnoods ook wel allemaal gelijk doen, da’s mij éénder hoor.”
Paul hoonlachend:
„Dat zulle ze jou wel niet vrage, wat ze moete doen.”
„Nee, maar dat moest toch eigenlijk wel.” Wanhopig, met een laatste poging tot verweer op hun zede-grondslag, zegt hij nog: „Der is toch zeker geld voor betaald. Ik heb het niet gekregen. Der is geld voor betaald. Der is voor gewerkt.”
Paul zwijgt; hij kijkt lachend omlaag naar zijn bank, om die voor hem onmachtige woorden. Dan zet hij het spel voort van het wisselen van lachende blikken met de klas. Hij heeft er nog een stukje onderscheiding door, omdat hij, met naast het vuil te moeten zitten, slachtoffer is van de school-orde. De groet naar Louise kan Eli nu wel laten. Hij sluit zijn handen om zijn hoofd; het gevoel van verlatenheid kan niet heelemaal uitblijven: om hem en achter hem danst in krinkelende giechels de hoon en de buitensluiting. En hoe is zij nu? hoe is zij tóch hierin?
Het kan Busselman niet ontgaan. Hij houdt stil, hij fronst. Hij vraagt bij Otje Berghuis om inlichting. Die vertelt het zacht. Busselman moet het naadje van de kous weten. Tegen diens glimlach in, die dadelijk om zijn breede kin trekt en in zijn oogen glimmert, houdt Otje’s rechtschapenheid nog stand. „Daar kan je toch niks an doen, wat je van thuis mee krijgt?” Busselman schudt instemmend, maar lacht door, over hem heen. „Daar heb je niks over te zeggen, nee,” besluit Berghuis. Weer een tevreden stellend hoofdschudden van Busselman. Maar hij moet zich toch even overgeven aan het geval. Scheef-oogt, met een glimlach, naar Leefmans, om het eigenlijk toch vermakelijke van dien geest van dat rare huis. En hij schudt weer zijn hoofd, niet ontkennend, maar van onmachtige verbazing tegen het geval op. Dat is
193