heeft lak aan zijn zwijgzaamheid; hij is erbij, hij zal zijn mond open moeten doen. Weer zoo zacht, in de laagte:
„Zeg Leef mans, je wil niet prate, maar nou moet je toch heusch eve luistere. Weet je waar ze nou allemaal om zitte te lache?”
Eli kijkt niet op, maar hij luistert gespannen.
„Ze zegge dat jij (nu pas gaat Paul lachen) dat jij het pak an hebt van Louise van der Wal der broer.”
„Wat? Ik?.... O.” Wat een nuttelooze bewegingen in klanken tegen zoo’n vernietigenden slag. Hij wrijft tegen zijn voorhoofd alsof dat bloed dat daarheen steeg, maar een jeukje aan de huid is! Na dat eerste gevoel van bijna uitgekleed te zijn, (want kleur, snit, vormen van het pak zijn nu weggezogen en het is of het alleen nog maar een stofhuidje is waarzonder hij in zijn ondergoed zou zitten), na dat eerste plotselinge verlies is zijn eerste gedachte: Vader en Betje van Gelderen straks afranselen. Zich boven op hen storten, op allebei: op Vader evengoed, zonder verklaring. En raak slaan, en trappen en stompen. Op Vader’s gezicht ook. Ja. Op die brutale sluwe blindheid die zijn leven hier niet telt. Er niets van wil zien. Zooveel gemeenheid kan alleen met een ontzettend pak slaag betaald worden. Vader is de schuldigste; hij is genoeg gewaarschuwd, hij wil zijn vuile streken niet laten, dat broertje van zijn broertje David! Het is een smous, die Vader van hem, een vuile stomme blinde smous. En hij, Eli, is een smousenhater; de smousen die zoo doen, die moeten maar doodgeslagen worden. Juist, zij hebben hem weer eens getrakteerd. En dat vuil hier weet naar niks anders te kijken. Het pak is alles; is je pak niet zooals wij dat willen? je pak niet? wat doe je dan hier!Het is geen wonder dat het gebeurt; van uit zoo’n huis met zulke stommelingen als Vader die zich uit laksch-heid maar onnoozel houdt, maar die wel beter zou kunnen, en dat stuk vrouwengrijns — naar deze school toe met dat andere soort modder, moet je dat wel aangebracht worden. En de „handel” is dus van van der Wal. Zij passen thuis wel op om het je te zeggen: gelijk hebben ze. Het kan immers elke dag van een van de lui hier zijn? Er zijn misschien wel twintig „klanten” onder de vaders en moeders hier van de school. Zij kunnen de pest krijgen, hij trekt per slot van rekening aan wat hij wil, en wie het niet goed vindt, die moet maar in een beroerte blijven van ontdaanheid. Maar dat het nou uit het huis van die edele, innige schat is; dat-ie nou voor haar zoo heelemaal met hun smaad beladen staat, en dat zij hun wel
192