kerk, ’s avonds. Ja. Ajakkes, die nare Suze. Zij bloost. Zij bloost, louter omdat zij het vervelend vindt dat dat nou met haar gebeurt. Zij hoort achter zich het bewegelijk pleizier, waarmee Suze het al verder vertelt, en dat hindert haar prikkelend. Zij is niet boos op Eli; zij vindt het onaangenaam, een vuil plekje op haar dag. En daarom is Eli iets van het onaangename, en vooral veel van het vuile vlekje. Zij vindt het even erg als wanneer, naar zij onbewust meent, zijzelf in Eli’s plaats zou zijn; en nu vindt zij het erger voor zichzelf dan voor hem. Want zij denkt er niet aan dat het voor hem pijnlijk zou kunnen zijn. Voor Suze Penard en voor de anderen aan wie die het nu rond vertelt, schaamt zij zich een beetje, en daarom neemt zij het Suze een beetje kwalijk dat zij het nou maar niet heeft laten zitten. Maar Suze Penard heeft veel te veel lol in het zonderlinge verschijnsel, om het niet verder te vertellen. Suze Penard bedoelt in het minst niet Eli Leefmans te kwellen. Zij doet niets anders dan een bijzondere eigenaardigheid haar vollen loop laten, die haar prikkelt met haar opzweepende vreemdheid aan haar kleerkast; zij zou door een uitzonderlijk verhand met Eli geremd moeten worden om dit na te laten, en dat verband bestaat voor geen duizendste deel van welken graad ook. Louise’s gehinderdheid ziet zij niet alleen maar half, maar naar het uiterlijk. Maar zij buitelt, in haar uitbundigheidslust, omdat het immers maar een indirecte pijnlijkheid is, daar overheen. En zij stoot met haar lange armen om zich heen; haar grijze oogen glinsteren, haar flinke lippen krullen van de pret, en zij kijkt steeds naar den jongen met het pak van John van der Wal aan, want zij kent het zoo goed, omdat alle meisjes dol zijn op John van der Wal; Eli zit met het afgedankte sjanspak van John van der Wal aan. Het kan niet lang duren of iedereen weet het, van wiens belangstelling men zeker is. De Bas zit Leefson uit het lompen- en helers-hol uit de verte van hoofd tot voeten op te nemen, één en al verbazing om die schaamteloosheid, en zonder er iets anders dan onbetamelijkheid van te kunnen denken. Van Wyhe zoekt Matthias’ blik en schiet dan in een lach vóór zich; maar Matthias trekt in honende verontwaardiging zijn oogen achter zijn brilleglazen tot Joden-trachoom-spleetjes: je hoeft daar toch niks beters meer te verwachten. Morgen zitten we allemaal onder de vlooien en de luizen, of laat-ie vuile uien-winden in de klas, of steekt-ie z’n zweet-handen onder de kleeren van onze meisjes, en zegt Jodenschunnigheden tegen ze. En zoo komt het bij Eli zelf; Paul
191