in die schuur geborgen was geweest. Maar Vader liet het tot hem los, en pas nu, al is het zonder zekerheid, nadert het verband tusschen de ondervraging van de jongens hier door de politie, en Oome David’s sigaren! Ellendeling. En hoe kunnen de jongens? Ze gezien hebben en het daarom ook weten? En daarom denken dat Vader de kooper was.... Godver.... en die vuile Oome David. En die vuile pestjonges die het dadelijk onder elkaar rond vertellen, natuurlijk. Op zijn kop komt het neer. Dank je wel Oome David, ik wou dat ze je maar even ophingen; aan de galg zou het je nog niks kunnen verdommen wat je mij bezorgt; je zou der nog heelemaal niks van begrijpen en vragen of dat dan soms zoo erg is? Toch kan hij die kwelling niet onafgeworpen laten. Hij gelooft in de overwinning van de juistheid, en de juistheid is dat Vader de sigaren niet gekocht heeft, maar door die smerige gek van een Oome David is bedrogen. En hij verzet zich. Uitdagend komt hij tot Paul op diens woorden terug:
„Wat weet jij dan wel?” fluistert hij heftig.
„Dat komt er ook niet op an. Misschien meer dan jij kan denke.”
„Niks. Ik weet wie jullie zijn. Maar jij weet niet wat wij zijn. Jy weet niks van mijn Vader af. En van mij ook niet. Dat denk je maar. Maar ik weet wat jullie zijn. En dat zeg ik je: een vuil zoodje bedriegers, te min om mee te praten.”
Paul zwijgt. Zijn schuld en die van Matthias en de andere jongens staat vast. Diefstallen en inbraak. En brandstichting! Het is voor zijn kennis van wat geduld wordt in de wereld van zijn eigen volwassenen, genoeg om hem te benauwen. En daar hij volstrekt niet zoo zeker is van de schuld van Eli’s vader aan die sigaren als van de zijne, zit hij overstuur voor zich heen te kijken en zwijgt, van angst om het jagen van Eli’s wraak. Hij denkt aan het rondgaan van de nieuwe beslissende beschuldiging tegen Eli, ook als van den brand daarbij niet gesproken wordt; maar dat verliest zijn kracht voor hem, tegen die zekerheid bij Eli, en die onverzoenlijke woede. Zoo heeft Eli in zijn bank de overmacht weer teruggewonnen. Hij zwijgt, in die gewisheid die hem nog weer juist den schrik en de bitterheid van zooeven te boven doet komen.
Maar zelfs die geringe macht kan hier niet lang duren.
Alsof het het antwoord was van de klas op zijn houding: waar is het relletje begonnen? Na tien minuten wordt Busselman er onrustig van. Zijn ronde kortgeknipte kop met de trouwe kouwe oogen, en de beste snor op welks rechtschapen middel-
189