Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



geweest; zij hebben den brand gesticht, en zij zijn bang dat het uit zal komen. En hij mag het niet zeggen: voor Oome Da-vid! Eli wroet in den toestand tusschen hem en Paul: wat voor Paul beslistheid en minachting lijkt, is grootendeels niets anders dan dwang van Oome David. Maar hij weet niet dat hij zich in Paul’s houding moet vergissen. Want Paul is wel bang, maar hij begrijpt niet dat Eli niet even bang is, en hij vindt Eli brutaal. Totnogtoe heeft hij alleen uit minachting om Eli’s afkomst, uit natuurlijk eenheidsgevoel met Matthias en de zijnen, het spel van de wilde jongens gedeeld, ook waar het zich tegen zijn buurman keerde; maar Eli’s persoonlijke bekoring dwong hem tot valsche heimelijkheid. Nu Matthias hem in vertrouwen van de vondst in de schuur heeft verteld, kan Paul zijn persoonlijke sympathie wel niet opeens uitroeien; maar om den jodenjongen hangt nu toch een duistere geest van maatschappelijke verachtelijkheid en onduldbaarheid, die hem voor goed buiten alle kans op nadering zet. Hij is nu om geen andere reden zoet tot Eli dan uit angst voor straf: al heeft hij aan den tocht naar de schuur niet direkt deel genomen, hij heeft bij andere fiets-ondernemingen wel helpen plunderen. Als hij vijf minuten met zijn rood hoofd voor zich heen, en eens een oogenblikje naar Busselman heeft zitten ky-ken die met zijn Duitsch bezig is, doet hij zijn laatste poging om Eli’s woede te temperen en te méten. Verlegen biedt hij snoep:

„Ik heb balie hier,” fluistert hij, „zeg, moet je balie?”

Hij loert, en ziet Eli kort hoofdschudden. En nu geeft hij het op.

„Nou,” praat hij zacht; hij trekt er een honend mondje bij; hij spreekt nu een beetje als Eli’s gelijke omdat hij zich toch ook een diefje voelt: „Anders.... van een zoodje zou’ik nou maar niet spreke, als ik jou was, hèhè.... want jij bent iemand heelemaal uit een zoodje. Iemand die uit zoo’n zoodje komt als jij, die moest eigelijk wel heelemaal z’n mond houe....” „Wij bedriegen niet, wij doen niks dat gemeen is en dat niet mag.”

„Zoo.... nou, ik zeg dan ook niks. Ik zal dan ook alleen maar zegge dat ik wel anders weet, net als jij zegt. En verder zeg ik ook niks.”

Eli’s hoofd gloeit. Hij kan Paul’s bedoeling niet begrijpen. Maar hij voelt smaad. Opeens wordt het benauwd in zijn hoofd, en wee in zijn maag, bij een puntje van de gedachte die moeizaam bij hem opkomt: Oome David zei hem niet wat

188

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.