pest-grappie om je bang te make? Hij, hij gooide gewoon een stukkie ijzer weg,” lacht hij gedwongen, „hè hè, dat jij dat nog geloofde. Daarom moeste we zoo lache. Ik had je’m natuurlijk de volgende ochtend aj weerom wille geve. Maar toe werd ik ommers ziek? Hier is-tie.”
Met diepen tegenzin omdat het, onder Oome David’s dwang, zijn weerloosheid bevestigt, pakt Eli den sleutel snel aan en bergt hem in zijn broekzak. Hij kijkt Paul aan, en weer vóór zich. Hij zelf kan liegen dat het zoo kraakt als het moet. Maar deze houding, om geen enkele andere reden dan omdat hij geen geld en geen mooi huis heeft....!
„Heb je nou toch nog de pest in? Eli?”
„Je hebt’m zeker al die tijd onder je kussen gehad.” (nog niet eens te mogen zeggen: je hadt’m nog noodig hè? door die vuile vervloekte knoeierige Oome David!)
Paul moet er weer om lachen; hij is daar dankbaar voor: een afleiding.
„Ik moest’m toch zeker beware ? Ik had’m toch zeker van jou in hande gekrege?”
„Ja, da’s netjes van je.” Hij keert zich een tel, en dien tel boren zijn blikken als twee lange stalen stangen, van woede in Paul’s verschrikkende oogen. Met afgewend gezicht Eli nu: „Jullie kunt allemaal doodvallen.”
Paul’s gezicht verwringt, en snel schiet een blik naar Eli’s wang, en terug. Hij weet het! Daar heeft Matthias ook niet aan gedacht. En hij zelf? Je hebt er aan gedacht en ook niet, en nou is het zoo. Die Mat heeft mooi lullen.
„Waarom ben je nou nijdig?” Hij wordt een beetje rood door zijn oranje sproetjes heen.
„Jullie bent doodgewoon een gemeene bende; doen net of jullie reuzejongens bent, maar ’t is gewoon een vuil zoodje knoeiers en lafbekken. En verder zeg ik niks meer.”
„Tege wie zeg je niks.”
„Dat gaat je verder niet an. In ieder geval ben jullie een veel te min zoodje om daar nog verder over te praten. Ik weet nou genoeg.”
„Wat weet je dan....”
Dat komt er nog maar half uit bij Paul. Zijn hoofd boven zijn bank op zijn linkerarm gesteund, is nu overal rood, zijn blik verslagen en starend. Het is voor Eli geen vraag meer, hij dien angst dien zijn buurman nu zoo onbeheerscht bloot geeft, nu de zoete toon van zijn ingestudeerd truukje door Eli’s woede wordt vernietigd: de jongens zijn met den sleutel in de schuur
187