Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



twyfel aan de volle waarde van den drager, en dat alles in een soort van lichamelijk welbehagen en een soort van onvernietigbare veerkracht, die het resultaat zijn van een geheelen kweek van welverzorgdheid en frissche weelde. En dan is er nog iets dat hem sterkt tegen de vijandschap op school. Iets heel anders dan het pak, maar minstens even belangrijk voor hem: de groet, de knik, de woorden van Kol-Nidrei-avond in Sjoel: „Mag ik ook even kijken?”

Hij kan haar nu groeten en zij zal hem terug groeten. Misschien praten zij nu wel wat samen, misschien begint zij zelf wel eens. Dat kan heel gemakkelijk nu. Het is wel jammer dat Paul van Marken er nu juist weer is. Eerst heeft Eli in zijn ontoonbare kleeren zitten schuiven om aan haar aandacht te ontkomen. Nu hij rustig en gelukkig naast haar durft zitten, nu zet zich Paul opeens weer tusschen hen in.

Dadelijk om negen uur komt van Marken er mee voor den dag. Met een vluggen blik van Eli’s kleeren naar hem op, begint hy met zijn jonge geitenlachje, dat anders beminnelijk is, maar dat nu in zijn sproetengezicht, onder zijn geel-blond nat-ge-scheiden haar valsch getrokken staat by dat vleierige aanpraten:

„Zeg Leefmans” (hij zet handig kalm in) „je ben natuurlijk boos op me, om die geschiedenis met die sleutel van je hè? Maar hoor’s, luister nou’s éve. Je weet toch wel da’k ziek geweest ben?”

„Doodziek was je.” Eli spreekt dadelijk met den geest van zijn huis, vanmorgen. Paul schiet er om in een lach. „Nou wat kan mij dat nou verdommen?” bijt Leefmans hooghartig af.

„Nou, dat kan wel, maar daardoor kon ik je’m niet eerder geve. Hier is’t-ie zeg.”

Hij wil hem onder de bank het ding geven. Eli is nieuwsgierig, maar hij dwingt zich, nog niet omlaag te kijken; zijn sleutel zoo intiem verstolen aannemen, dat stuit hem, na dit alles. Paul buigt zich voorover om Eli van terzij aan te zien, als wilde hij de prettige verrassing genieten op diens gezicht: een gewrongen spel, dat hem door Matthias is overgelaten; het is angstig onderzoek, en paaiende afleiding tegelijk. Zijn lach verstart een beetje: Eli kleurt wel, maar de onverzoenlijke toorn daarachter is duidelijk:

„Ik dacht dat Gerrit Jan’m in ’t water had gegooid.”

Paul, zoet:

„Nou snap je dat nou niet jö? dat was toch ommers maar een 186

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.