H!
et staat ’m netjes,” zegt Betje van Gelderen tot Jankef, „’t staat ’m deftig staat ’t ’m.”
,Of het ’m staat? Je kunt nou naar de Hoogere Burgerschool gaan óók,” verzekert Jankef, „naar de rijkste school zoo waar als ik leef. Want je ziet er uit als een rijke student. Of niet?”
„’t Is een beetje te wijd.”
„Te wijd? Het zit goed ruim, dat is niet te wijd. Moet het dan soms krap zitten? Gadverdarrie dat zou ik niet graag aan willen hebben wat te krap zit. Gegoten aan je lijf zit het. Zoowaar als ik leef dat het buitengewoon is zooals het hem zit; dat komt nog niet zoo alle dagen voor. En dat goed? Dat is memoosjes! Spul! ja maar je moet dat voelen! wat kwaliteit dat is! Fijn, en toch als ijzer! Kost minstens een muntje de meter, ja waarachtig, een gouen cent de meter leg je der voor neer, voor een meter van dat goed. Prachtig Engelsch goed! Dat is Engelsch, dat maken ze hier in het geheel niet!” Jankef is er opgewonden van, en Eli raakt daar toch verblijd door, want al weet hij dat Vader overdrijft als zijn geestdrift eenmaal in gang is, in dien geestdrift zelf gelooft hij en geniet hij.
„En je kunt het dragen,” knikt Jankef, „kinnem of ander soort loopende waar zit er gerust niet in. Niet alleen dat het gezuiverd is, maar wraar het vandaan komt komt het vandaan, maar het is fijn! èn nieuw!”
Eli glimlacht verlegen. Vader begrijpt daar natuurlijk niets van, hoe grappig dat klinkt, dat hij met zoo’n tweedehands pakje nou wel naar de rijkste school zou kunnen gaan. Maar hij zelf is al zoo blij, zoo bevrijd van den angst voor de keurende blikken, zoo dankbaar voor iets nieuws om zijn lijf dat niet alleen beteren snit heeft dan Vader ooit voor hem in den winkel kan koopen, maar dat ook werkelijk heelemaal gaaf is, dat hij Vader maar in den waan laat alsof hij geen streepje op die uitgemeten deugden van het costuum heeft af te dingen. Jankef heeft den spiegel van den wand omlaag gehaald, en Eli is zoo gestreeld door den uitslag van zijn blik daarin, dat bij dien glimlach naar Vader eentje van voldane jongens-ijdelheid in denzelfden mondplooi wordt meegesmokkeld: hij weet wel dat het Jankef niet ontgaat.
Een fijn, lichtgrijs tweed sportpak; vier opgezette zakken, met
184