Matthias heeft zijn slimheid.
„Snappen jullie dat niet? van die weggestopte sigaren?”
De jongens hebben een schrik je in hun oogen.
„Nou, we hebben ze toch weggegooid. Maar dat zie je wel: het is nog niet eens alleen een luize-jood, het is een dieve-jood ook derbij. Godskristes wat een hol is dat daar hè? Snap jullie ’m? Hij khoop ghoedkhoop — ze zaten weggestopt hè Ap? Hij heb ze genaggeld van die vent die ze achterover heb gedrukt.” „Angeven! We moesten ze angeven!”
„Kan niet,” zegt Matthias verantwoordelijk. „Dat kan toch ommers niet jö, lui nou niet zoo wijs als een konijne-kuiken, jij! Godver! Dan zijn we der toch zelf bij, houte koeie-kop! néé, smoelhouwen en goed ook. Anders jammer genoeg, dat die Mozes der niet in-draait. Wat een zoodje! nee onze pak-huissies goed dicht hoor lui. Goed dicht hoor. Zwijgen in rotten van vier. Hoor! Nou saluutjes kerels. Morgenochtend zeven uur op de paarden. En hoor’s: as we Idak gap-maddel weer tegenkommen: Lou hoor! Niks!”
183