Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



staat er bij te wachten. Voor Eli bedekt, maar bitter genoeg om de verstandhouding te toonen, zegt Jankef hem nu: „Kunt gerust naar huis gaan hoor! Niks van over. Is niet over gekikt. Wordt wel gefeliciteerd van mijn, en bedankt, voor de zèt. En als je nog’s weer wat van dien aard hebt, David: ik hou me wel aanbevolen!”

„Zie je wel wat een smeerlap of het is?” zegt Betje thuis. „En weet je wat ik zeg? Hoe of het ook ooit uitkomt, ik zeg hij heeft het zelf gedaan, de smeerlap. Ik heb je wel gezegd toen-ie aankwam met zijn smoessies over de schuur: het is een smeerlap is het, hij voert wat tegen je in het schild. Dat heb ik je genoegt gezegd.”

Jankef fronst zijn brauwen. „Altijd gelijk en nooit, nooit gelijk,” mompelt hij onverstaanbaar. Het is maar een poging om voor zichzelf goed vast te stellen, wat hij haar niet bewijzen kan.

„Smoel houen en ieder naar zijn huis,” heeft Matthias bevolen, toen zij hoorden dat het schuurtje achter hen in brand was geraakt, en zij er vloekend om in een lach schoten, in een steegje bij de hoofdstraat. „En nou die sigaren onder de voet, kerels!”

Zij hadden al, na een vergeefsch onderzoek, en na hun verbazing en hun afschuw om den vuilen verdanen rommel die koopwaar scheen te zijn, besloten heen te gaan en weer netjes te sluiten, toen de dikke Ap van Leeuwen in David’s hoekje op vormen stiet die hier al door hun verzorgdheid moesten verbazen. Hij kwam naar Matthias toe: „Mat! kijk’s effen? is die goed? Jovele gandertjes.”

„Ieder één, niet meer!” besliste Matthias. Maar hij verbood niet die eene op te steken. En drie van de vijf jongens gooiden zich, stiklachend en brakend van de zware tabak naar buiten, en toen Matthias gesloten had, dacht niemand aan de brandende lucifers die achterbleven.

„De sleutel weer aan Paultje,” zei Matthias, „en die geeft ’m overmorgen aan de jood, met een gijntje. As meneer Paul tenminste overmogen die verkoudheid in z’n pantalones verkiest kwijt te zijn. Een held voor een pooltocht, hoor, die Paul. ’t Is verdomd jammer dat die smous geen antiek had. Ik dacht nog dat het een antiek-jood was, maar het is enkel maar een luize-jood....” „Verrek!” roept hij zacht, „jullie zijn toch ook ezels-uilen! Godslammenadig wat een vuil zoodje is dat daar bij die Jodeboel.”

182

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.