Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



In het kamertje terug als zij weer heen is gegaan alsof zij niet weet dat zij hier en op dit uur een droom-verschijning was, is hij zoo met haar bezet als het zijne, dat hij zijn verlangen naar haar vriendschap niet voelt als een nieuw; niet als een uitbreiding buiten zijn eigen droom-gebied. Hij is niet veranderd, hij verraadt geen Geheim met haar; haar wezen, met de vrome, fijne strakke elpenbeenige wangen, haar git-zwarte haar en haar stille donkere oogen, drijft, van alle bestraling van het dagelijksche ontdaan, op de stemmen van het Kol-Nidrei tusschen de hooge, witte muren.

Zoo, met die volheid die zoo vriendelijk is, alsof nu de Fee van het leven zelf, in alle stilte, hem haar hartelijke goedgezindheid komt brengen, slaapt hij bijna in.

Nee, dat kan niet: de jongens, jongens die eiken dag met haar spreken, hebben het schuurtje niet in brand gestoken.

In anderhalf uur is het brandje afgeloopen. De vrijwillige spuitgasten waren er niet zoo gauw bij, of het grootste deel van Jankef’s massematten was verbrand toen zij de slangen gingen leggen; de rest kwam flink onder water te staan. „Het is onbegrijpelijk meneer,” heeft Jankef tot den politie-inspecteur gelogen, „ik ben er gister voor het laatst geweest; vandaag is het de dag vóór onze Groote Verzoendag: ik was er niet eens in! Hoe kan de boel in brand komen! Ik dacht toen ik het hoorde dat er iemand met geweld was binnen gegaan, maar nou ik hoor dat de brandmeester de deur heeft laten openbreken, nou begrijp ik er heelemaal niks meer van.” Voor zijn broertje David staan te lullen, met moeite om de leugen van je poonem weg te houen, dat is toch wel een barre smerige geschiedenis. Voor zijn broertje David nog niet eens die bandieten van jonges zelfs nog niet even aan het schrikken mogen maken, als je ze dan niet heelemaal in het verbete-rings-Bajes wil douwen. Maar nog niet eens zelfs geen schrik, dat ze denken: we moeten toch oppassen, zeg, met die Jood? Dat nog niet eens, voor zoo’n brutale geniepige streken-fabri-kant. God zij dank zoekt de politie niet verder; zij heeft niks kunnen vinden: onbekend. En Jankef komt tegen één uur weer in het Sjoel-kamertje bij den wakenden schoonzoon van dokter van der Wal, die languit over twee stoelen ligt, zijn petje naast zich op tafel: gojsche kunsten waar je maar niks meer over zegt tegen de aanstaande Gazzen van de „moderne richting”. David die al tweemaal vergeefs terug is geweest,

181

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.