goge, maar willen toch het decorum zien van Groote Ver-zoendag’s witte plechtigheid.
Met zijn dokters-gemakkelijkheid vraagt hij: „Is de dienst al afgeloopen? Maggen we even kijken?”
Een zoete bons in Elie die het hart opjaagt: hier, in deze al bijna nachtelijk omsloten stilte, met haar en het hare alleen, in het zijne. Snel zich dwingen niet te hakkelen:
„Jazeker. U mag altijd zien.”
En daar klinkt het, en hij ziet het als een dunne straal liefelijk water uit de wonder-opening van den mond aan de wonder-bron van haar gestalte:
„Mag ik ook even kijken?”
Een herkenningsblik, tot den jongen van haar klas! Een glimlach, tot een mede-leerling! Een vertrouwelijk gebaar, terwijl, naar haar gewoonte en die van haar leeftijd, het hoofd op den hals een fijnen slag naar beide zijden wendt, in een buiging naar achteren waarbij de borst gespannen komt te staan, zoo trotsch! Maar daarvoor is hij niet bang, voor dien trots. Dien trots ontmoet hij: het is de zijne, en hij doet de zijne rekken, en buigen over den hare heen. Dat is goed, dat is best! Kom maar op; daag me maar uit op die trots van te weten wat je waard bent; ik sta, ik wacht je, ik gooi je op, vriendelijk, speels, maar toch sterker dan jij, en ik vang je weer, ik zet je naast me, en dan zijn we zoo’n beetje kiet. Jij met je bevriende aanbiddelijkheid, het lichte wonder dat van mij zal zijn; ik met het verleden dat ik gemaakt heb, en dat ik draag, en dat de wereld, wel niet zonder verrukkelijke wonderen, maar wel zonder geheimen voor me doet zijn. Dat is goed, dat is niet beangstigend.
Maar dat andere, is dat ook voor mij? Of is het tégen mij?
Een jonge vrouw is zij, om die stem heen, om dat hoofd heen en dat gebaar naar hem. Een mantel van geruite stof, kleine ruiten grijs met wit; aan haar hals een wit bont-randje. Haar kapsel glanst tegen het halve licht van de Sjoel; zij draagt geen hoed. Lichte kousen en lakschoentjes. Een jonge vrouw; zij komt van een feest.
Is dat niet van mij af, maar ook voor mij?
Nooit zal hij dat vergeten, nooit dat gebaar, dien kameraad-schappelijken blik en die woorden. Opgeborgen in zijn geest zijn zij zorgzaam toegedekt, en versloten als de schatten van een gekken vrek. Een heele verzameling schatten heeft hij al: het zijn de voorbeelden der mogelijkheid tot het geluk van een zuiveren staat. Kostbare bewijsstukken die hij misschien
179