en het groote geel van de koperen licht-kroon. Dat geel van de koperen lichtkroon is met zijn glanskant als een peinzende glimlach, een wonderlijke glimlach, duizend maal met zoete ontsteltenis ontmoet, een glimlach blijvend en toch vloeibaar, als op het gezicht van een louter dienend wezen, op de grens van den waanzin en toch vriendelijk, vol begrip van het verband tusschen zichzelf en Eli, en van hun verband met den Dienst, het Werk, de Samenheid. Dat alles overnacht met hem, daar de deuren door, in de bid-ruimte van de Sjoel, in die voor hem hooge ruimte die altijd een gevoel wekt van bevry-ding, en van vreugde die den geest in gang zet. Ook hier in het kamertje is alles een beetje van hemzelf: zij zijn bode en met de dingen hier het meest vertrouwd. Vader’s sarkenes ligt in de kast bij Meyer’s toga en baret; op het groene tafelkleed de oude, schimmelig riekende Magzourem, de gebedenboeken van de Groote Dagen, van Vader en van Davidje de Haan, die nu Sjammes, Gazzen-hulp, is. Slapen gaan kan hij nu niet, want nu de verdeeling van den tijd is veranderd, is van Gent er niet, en één moet toch wakker blijven. Wonderlijke uren in het jaar, wonderlijke vereeniging met een Gebouw en zijn Dingen: zoo diep en scherp dat het in je lijf schijnt te staan, om op te pakken en omhoog te dragen en buiten te zetten, in de wereld. Ja maar hoe? „Hoe zou ik kunnen? hoe?”: prettige lach-her-innering aan dat half-uurtje met Max. Maar toch lekker gelukkig niet haar naam gezegd. Lekker heerlijk gelukkig niet kinderachtig geweest. Goed zoo. Goed zoo.
De glimlach van de kroon trekt er zich niks van aan: geen grijnsje; louter vriendelijkheid en werk-vervolg. Zij hoort erbij, zij hoort er bij. Maar waarom dan niet alléén, als zij dan toch komt? Nee, als zij alleen zou zijn gekomen, hij had evenmin geluid of beweging kunnen voortbrengen. Hij zou, als een zuil, van verschriktheid-in-geluk, zijn blijven staan, en dan zou zij hem immers hebben moeten toelachen zooals hij het wenscht? Dat gebeurt natuurlijk weer niet. Weer niet alleen. Een breede zwarte kerel met een kort stukje dikke snor en een wijden deukhoed, dat is haar vader.
Een smal, slank, fijn donker en elpenbeen-kleurig wezen. Dat is zij, aan diens arm. Er zijn nog een paar kijkers geweest. Het komt vaak voor: de voorbijgangers zien de Jodenkerk verlicht, meenen dat een belangwekkende dienst gaande is en willen kijken. Zij staan wat verbaasd van de leege Syna-
178