baar houdt. Hij kan het zoo gauw niet verklaren of billijken: dat hij en vader en Oome David nog in de gevangenis zouden komen omdat de jonges de schuur in brand hebben gestoken; maar hij vermoedt wel iets van een knoeierijtje door Oome David uitgehaald, want duidelijk genoeg ziet hij achter dat fleemen en draaien de schuldigheid die zich valschelijk klein maakt. Maar hij merkt ook wel dat hij te gehoorzamen heeft, want er is hier iets van het Geheim te beschermen al is het tweede kwaliteit, en dat is de armoede en de buitengeslotenheid, waarin hij saamhoorig heeft te zijn. En dus doet hij de belofte, met een knik en een zacht „nee,” bij nauwelijks een blik naar David’s smal gehouden zwarte oogen, in dat groote domsluwe, zwartomhaarde gezicht.
„En verder weet je wel,” bedankt David hem met zijn lijf al gereed tot heengaan, „van Delfshaven naar Schiedam, en van Schiedam naar Delfshaven.”
Eli glimlacht, en David maakt zich uit de voeten.
„Misschien kom ik daar strakkies nog even hooren,” zegt hij nog om den hoek.
Om te hooren of ik mogelijk tóch nog niet hang, denkt hij voorbij den hoek. Die mesjoggene groote woorden en die pree-ken van de Paus zijn ’m nog niet eens de moeite waard om naar te luisteren. Ogh! wat een gekwijl van zoo’n komedie-klant, van zoo’n narrische sekreet uit een kermis-tent. Toch niet kwaad: zoo’n vuurtje waar die sigaartjes in opgerookt worden. Al is-ie een beetje zenuwachtig, slecht gaat het hem niet.
Zijn sleutel die hij even aan Paul in handen geeft, vasthouden om er hun schuur mee in brand te steken! Dat is toch wel moeilijk te verdragen. Het is te begrijpen dat Vader zich wreken wil. Maar is dat nou wreken: naar de politie gaan en die laten straffen op haar manier? Dat is anderen er hij roepen, en wraak dat is iets dat moet van jezelf uitgaan; straffen dat moet je zelf, dat is de eenige manier om je zelf tevreden te stellen en ook de eenige manier om hij de anderen eerbied voor je te krijgen. Daar mogen anderen je wel bij helpen. Maar alleen anderen die het heelemaal met je eens zijn. Anders is het laf, en aan de vuilheid komt geen eind. Het is net zoo belachelijk, en natuurlijk veel erger om de vreese-lijke gevangenisstraf, om de politie hiervoor tegen de jonges op te jagen: kssst, pak ze! als om door de Vaars zijn pet en
176