hoofd schuin van bitterheid, langs Eli heen naar buiten loopt, „ik kan ’t alleen wel af hoor.”
„Ik? Ik ga niet, krummel-een-ongeluk,” antwoordt David zoet als een kwajongen in het nauw, „ik wacht hier wel tot je terug komt.”
Jankef gooit zich weg uit het Sjoelportaal, David achterlatend als een zoon die hem de dampen aan doet. Roddelt en stookt en knoeit tegen je, en gebruikt je in hun nood en vermassert je dan nog derbij. Hoe zoeken ze je der zoo voor uit?”
„Eli,” vleit David daar nog in de gang, „men kan jou wat toevertrouwen als aanstaande Gazzen. Denk derom dat je daar op die school of bij de school of op straat waar anderen bij staan, niet over die sjkootsem praat dat ze het aangestoken hebben hoor!”
„Mag ik dat niet zeggen? Hebben ze het dan niet gedaan?” „Gedaan zullen ze het denkelijk wel hebben.”
„En mag ik het dan niet zeggen?”
„Ongelukken komen dervan als je ’t zegt.”
„Tegen hunzelf ook niet?”
„Beter van niet.”
„Mag ik het tegen hun niet zeggen?” Het is of Oome David hem vastgrijpt opdat de jongens met hem doen wat hen lust. „Ongelukken komen dervan. Men kan alles niet uitleggen. Kom hier.”
Hij verstilt zijn stem: „Ik heb daar iets van je vader mogen inbergen, en daar heb ik later van gehoord dat het gesjnaa-jemd was. Begrijp je? Als dat gehoord wordt, dat het daar is geweest, dan wordt dat te kwaajem tegen mijn uitgelegd. Begrijp je? Je hebt je verstand van God gekregen, en niet zoo’n klein beetje, maar een beetje extra der boven op, en daarom begrijp je ’t een beetje makkelijker als een andere jonge. En daarom kan ik ’t jou zeggen, dat het is voor een Jehoede niet altijd zoo makkelijk om precies te doen en te laten wat wel en wat niet mag. En als-ie dan zoo’n streepie, begrijp je? buiten de regel gaat.... Het wordt tegen mijn en tegen je vader wordt het uitgelegd, en niet zoo gewoon als tegen een ander, maar nog een beetje erger. Ozoo. Dus wees de wijste en sjmoes niet tegen die sjkootsem, tegen die vuile kloowen (honden) van jiddensonne’s (jodenhaters); want zij hebben het gedaan, en wij trekken met z’n allen.... aan het kortste end.”
Eli staat, onder die bewerking, van Oome David af, rood verlegen naar den geel gelakten bankhoek met het stuk witte muur te kijken, die de helft van de deur-opening voor hem zicht-
175