„Als het toch werkelijk waar is....!” Jankef heeft zijn gloeiend glimlachje van geplaagdheid, „zoowaar als het vandaag Joum-Kipper over de wereld is, dat ze dan nou wèl hun portie van me zouen krijgen. Dat ik ze in het verbeterbajes zal brengen. Mijn wèl wat al te bar hoor, tegenover de Jood. Ik ga, en de politie is der ook bij, en dan zal de Jood toch ook’s één keertje aan dat vuile goedje zijn nekoome (wraak) beleven.”
„Och Vader! dat kan toch niet....”
„Wat kan niet?”
„Wou je ze daarvoor in de gevangenis laten komen?”
„Niet? Nou maar wèl hoor.”
„Dat kan niet,” zegt Eli bang, „dat is toch veel te erg.”
„Zijn ze daar soms nog te goed voor meen je? En een arm sjykets (Christenjongen) dat het doet? Gaat die dan niét het Bajes in?” brandt Jankef bij de uitgang, „voor jou zijn ze dan misschien nog te goed daarvoor, maar voor mijn niet!”
Eli schrikt: er is geen tijd meer te verliezen; over vijf minuten is Vader bij de politie aan het praten. Als dat zoo is, als ze de sleutel hebben gehouen om hem hiervoor te gebruiken! Dat is wel ontzettend tegenover hem en Vader. Maar het zijn toch jonges, zooals hij, van zijn school, zijn klas, vlak bij hem. Hij voelt: een klein verschil met nu, een beetje vergissing minder, en alles zou er toe liggen om ze vriendjes van hem te doen zijn. Al zou hij dan nog misschien niet durven meedoen aan zooiets: dat die door Vader in de gevangenis zouden moeten komen, dat kan niet. „Een arme jonge komt er wel door in het Bajes,” zegt Vader. Dat is zoo. Dat is om de wereld stuk te slaan. Maar naar de politie gaan om te straffen, dat schendt het Geheim op zoo’n gemeene manier, dat mag niet gebeuren. „Vader! As je ’t doet!”
„Waarom niet?”
„Je bent toch niet gek? Het mag niet gebeuren! Wou je die jonges in de gevangenis brengen? Werkelijk in de gevangenis? jonges van mijn klas? As je dan maar weet, dat ik de school niet meer kan binnengaan.”
Jankef wordt zwrak tegenover die eenvoudige zekerheid. En Eli krijgt hulp van w'aar hij het niet verwachten kon.
„Wat heb je deran?” zegt David. „Mesjoggene sjkootsem (jongens) van het fijnste Gaajes allemaal. Meen je dat het je wat helpt? Meen je dat de politie ze wat doet? Komt al wat groot is voor ze in het geweer.”
„Dat zullen we dan zien.”
173