En als je goochem bent, laat je flink sarrefen. Ja, een neweire, (zonde) de honden zijn der toch al bij.”
„Iemand die derin heeft kunnen komen. Wie kan derin komen zonder breken? Als-ie toch geen sleutel....” Hij breekt af. Hij kijkt Eli aan „Kan toch niet van dat sjalf komen? Hè, Eli?” „Wat?”
„Je sjalf. Die jonge,” zegt hij verward, „die bij jou bij de schuur stond. Die heeft toch ommers geen tweede sleutel, wel? Och nee. Onzin,” zegt hij weer.
„Die jonge? De Bree? Hè vader....”
David luistert gretig, met scherpe oogen, schuldigheid daarachter in zijn onklaren, maar op het kleine doel gescherpten kop. Zijn gedachten, nog steeds verward omtrent de oorzaak, grijpen met al hun achterlijke kracht de kans van het voordeel en van den slimmen zet vast, als boerenknuisten het touw van een vluchtend paard.
„Wat is dat dan?”
Eli moet vertellen van het weggooien van den sleutel. En opeens ziet David, de slimste van de drie, als een loterij-prijs, de oplossing: bevrijding, verlichting en grootendeels helderheid omtrent zichzelf.
Hij lacht honend op; er is juichen in.
„Krankzinnige gammourem! (ezels) De sleutel in het water? Ja, ze hebben de sleutel in het water gegooid! Heb je dan geen hersens? Een steentje hebben ze in het water gegooid, voor je oogen! En de sleutel hebben ze in hun zak gehouen! Daar hebben ze de schuur mee open gemaakt en goedschiks of kwaadschiks de servfe aangestoken om de Jood de dood an te doen op Jom-kipper-avend, en misschien om te gappen voor de snoep en voor de meiden! Oo!” dolt hij uitgelatener dan hij zich veroorloven kan, want zoo zeker is hij nog niet, een volkskomiek na, „hadt U me dat maar eerder gezeid! Hè! dat weten ze, en dan vragen ze nog wie het gedaan heeft!”
Wat die David Leefmans daar dan uitrichtte, bij het schuurtje, vanavond, zoo kort voordat de vlammen achter de ruiten te zien waren? en nadat-ie God had gebeden om het te mógen doen? Dat begrijpt hij nog niet goed. Maar hij begint meer en meer te gelooven dat hij den brand niet heeft aangestoken. „Als het waar is....,” zegt Jankef, en hij kijkt Eli aan. Beiden weten dat David’s verklaring onbetrouwbaar is, omdat hij ze zou uitspreken ook zonder grond. En beiden valt het moeilijk, te gelooven dat de jongens tot zooveel driestheid tegen hen in staat zijn.
172