genoten zoets en die daar nou boven ligt, — of zij ondergaat in haar instinct-vreezen het kloppen op de buitendeur als een opschrikkende straf voor haar gedachten.
„Wat zeg je van Gent? Brandt onze schuur? Heeregod wat schrik ik daar van. Eli! Eli! gauw naar beneden komen! onze schuur staat in brand! Gauw naar je vader in Sjoel, dat-ie der dadelijk naar toe kan gaan, hij kan niet weg! Hoor je ’t? Heeregod wat is dat voor iets verschrikkelijks vanavend in de nacht. Ik ga der vast heen hoor! Eli! Ik zeg, ik ga der gauw heen hoor!”
Dadelijk gespannen, loopt zij op dat trefdoel af voor haar zucht naar sterke bewegelijkheden, en naar scherpe bemoeienissen met den stoffelijken levens-uitbouw door dien handels-arbeid. Het is het vuur van den brand, met zijn hevige kleur en werking, dat haar waakzaamheid aanzet, door den drang heen om Jankef welgevallig te zijn: de zorg om de verzekering. Zij is het huis al uit, als Eli beneden komt.
De schuur in brand. Ajakkes wat een afschuwelijke afleiding. Wat kan het hem schelen, dat schuurtje. Maar hij moet vader aflossen. Rillend van tegenzin de kleeren aangeschoten, en naar buiten. Vuur in de verte, ja. Dat trekt. Maar hij moet naar Vader toe.
Heeft hij straks hier niet Eveline Meyer gezien en gehoord ? Pas nu, in die frissche lucht, herinnert hij het zich: Eveline Meyer aan de kade. Een mannenstem naast haar, rustig. Eveline Meyer.... die avond thuis tegen Vader aan! Onbekende mannenstem.
Peter Born heeft, zoo goed als David Leefmans, zijn „Tsy Oelemad.”
In de gang van de leege nachtelijke Sjoel, bij de open deuren van de half-verlichte bid-ruimte, vindt Eli oom David met Jankef in een korte botsing, die zelfs op dit uur en op deze plaats al niet meer verwondert, omdat die brand de gesloten stilte van dezen bijzonderen avond toch al verscheurd heeft. David is toch maar even in zijn huis gegaan en heeft daar voor zijn vergroenden hoogen hoed zijn platte pet op gezet: het is toch beter geen verdenking mogelijk te maken. En nu staat hij geschrokken en verwoed om Jankef’s verstand dat zoekt, om Jankef’s onschuld, die met een voor David onduldbare strijdbaarheid zich tegen diens stekelige ingewikkeldheid keert.
170