Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



nog is als altijd. En Betje van Gelderen? Als hij alle kracht oproept om haar in zich op te nemen, zou hij haar dan niet tot het hunne kunnen maken? Hij kan het immers? als hij wil? Als hij wil, kan hij met zijn blikken haar hoekigheden afronden, haar hardheden recht zien, haar huid verfijnen en met die doorwerking van vertrouwdheid beleggen die de grond-eisch is voor zijn liefde. Hij kan haar stem, op weg van haar mond naar zijn oor, tot welluidendheid ombuigen, en al haar eischen als vriendelijke noodzakelijkheden verstaan. Als hij wil, kan hij, na al die omtooveringen, haar wang zoenen, en gebieden: je bent goed, je bent van het onze. Hij weet dat hij het kan; er was niets zoo wrang van wat hij ontmoet heeft, of hij kon het op de oogenhlikken van de groote innerlijke vreugde, in zijn feest betrekken en overstralen. En als hij wil, kan hij Betje van Gelderen in het huis zetten als een deel daarvan, bestreken door die zachtheid die voor hem aan de dingen rondom vriendelijk ontspringt, en er is vrede, omdat hij haar vrede heeft opgelegd. Met diepen innerlijken arbeid kan hij dat, als met een kreun van de ziel.

Betje van Gelderen opent in haar nachthemd de deur; zij knikt en beziet hem nog eens van terzij, en sluit weer.

„Is de Sjoel al uit? Ga je vader zeker straks aflossen. Moet ik je zeker roepen?”

„Ja da’s goed.”

„Ja der is geen licht boven, ’t is donker boven, ’k Had eigenlijk een lampie moeten zetten hoven. He’k geen erg in gehad.” „Nou ja.”

„Anders kleed je je beneden uit.” Zij heeft het allemaal gezegd eer zij het overdacht heeft.

„Nou.... ’t gaat wel,” hij, met een verlegen maar vasthoudenden glimlach.

Ja het gaat haar moeilijk af, maar jonge, jonge ze doet haar best! en het lijkt wel hollen of stilstaan bij haar: die zorg voor dat uitkleeden!

Op Kol-Nidrei-avond zegt men geen nacht-gebed. Het is geen nacht, het is doorloopend Verzoendag. Dat is een heerlijke toestand, een hooge staat van gezelligheid voor hem: het blijft dag; je gaat maar even slapen; straks al gauw er weer uit, maar morgenochtend mag hij dan uitrusten, hij hoeft zoo vroeg niet in Sjoel te zijn. Hij is nog niet ingeslapen, en Betje denkt nog aan die zachte en fijne jongen dien zij als een volwassen jongen beschouwt en een geleerde, en die dus godweet wat al uithaalt; die daar zoo binnenkwam als iets nooit

169
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.