Het menschelijk lichaam heeft beperkte krachten: de Gemeente kan, zelfs op den heiligsten van alle dagen, geen etmaal lang on-onderbroken gebeden opzenden in den angst voor het Gerichts-uur. Maar om, bij de erkenning van dit onvermogen, toch voor zichzelf het bestaan van den plicht te blijven stellen, houdt men van het eind van den Kol-Nidrei-dienst tot het Ochtend-gebed toe de Synagoge open en bezet: het is Jankef die jaarlijks op dien Jom Kippoernacht waakt, en nu Eli de eenige jongen thuis en kerkelijk meerderjarig is, verdeelen zij de uren.
Het is half elf als de doodshemden en de witte mutsen tegen de avondkleeren worden verwisseld, en als Jankef en Eli, na vele handen te hebben gedrukt, in het consistorie-kamertje waar Jankef zich verkleedt, afspreken: Eli zal dan tot drie uur thuis gaan slapen; daarna komt hij Jankef af lossen tot ’s morgens half-acht. In de gang wacht van Gent, de Roomsche borstelmaker die hulp-bode is en die ook moet blijven; hij hoeft van Jankef pas tegen den ochtend te komen, Jankef spreekt van niets.
Ruim half elf staat het stadje al in de nacht-stilte; Eli’s stap echoo’t al door de straatjes als hij alleen naar huis gaat om het eerst te gaan slapen. Dat is een avond die jarenlang als een ondoordringbare binnenhof was van diepste vertrouwdheid met het huis; en ook nu nog drijven hem die zware nagalmende en roepende stemmen van de angstige verootmoediging: van het „Kol-Nidrei”, van het „Al Geit”, (voor de zonden die wij tegen U gepleegd hebben), zoo op het eigene aan, dat hij zich zonder voorbehoud en woordloos kan overgeven aan de stille dankbare vreugde om zooveel gespannen plechtigheid, die twist en broodgevecht van den dag tot kleinheden verklaart en wegvaagt. Levensplan noch geaardheid staan Jankef en dus ook Eli toe, van de vele kerkelijke voorschriften meer dan de belangrijkste te volgen. Maar zij hebben toch vandaag zich gebaad; Jankef heeft zijn schoone witte sarke-nes en muts mee naar Sjoel genomen, en eer zij gingen, heeft Vader hem met een knik tot zich geroepen: hij buigt zijn hoofd onder Jankef’s handen:
„God doe U worden als Efraim en Menassè!”
Eli’s lippen trillen er bij; het is niet om de ontroering van den zegen zelf, maar om dat verband waarin hij en Vader op dit
167