slopje; hij denkt zich met al de kracht van zijn verlangen in, hoe de lucifer daar zou gaan, achter het raampje, zzzt! En zachte floepjes in die dunne vodden. En binnen drie tellen, sjimjesmerijne! staan de vlammen tot aan de zolder, en knettert het!
Nooit nog heeft David Leefmans zoo, eerst aan zijn bestaan, toen aan zijn oogen, daarna aan zijn verstand getwijfeld, als op dat oogenblik dat hij, na een kwartier te hebben rond ge-loopen, de rivierbrug een eindje op al is het de gewoonte niet (maar naar huis daar ziet hij geen kans toe, en uit bed moeten ze hem niet halen, dat is toch een beetje al te erg) weer in de buurt van het schuurtje komt, op weg naar zijn gemeden steegje. Hij blijft staan; zijn hoed drukt hem achter op zijn kop, en daaronder heeft hij iets van een leeuw, die op zijn achterpooten steunend, naar het onbegrijpelijke en gevreesde van het vuur kijkt. Vuur! Het is vuur, het zijn vlammen waarnaar hij kijkt; het zijn de vlammen die uit Jankef’s schuurtje slaan! Hij moet eerst een minuut blijven staan: dat feit alleen al kan hij zoo opeens niet vaststellen. Is het schuurtje van Jankef in brand? In brand? of is dat de wereld en de kade niet, en goolemt hij of is hij zoo in de war.... Sjimjesmerijne! Het is of een waai door hem heen vaart; hij voelt geen grond meer, en terwijl zijn oogen den brand zien, is het toch of hij er niet met zijn heele David Leefmans deel aan heeft. Is het het schuurtje? „Het is het schuurtje,” mompelt hij voor zichzelf, „zoowaar als God leeft, zoowaar als Kol-Nidrei-avend over de wereld is, zoowaar is het het schuurtje.” En hij rilt van binnen. Hoe komt in Gods heilige naam het schuurtje in brand? Dat kan men niet grijpen, dat schiet weg. Hij gaat moeite doen zich het oogenblik van een kwartier geleden te herinneren, toen hij daar in het slopje stond. Maar door dat dit nu gebeurt, wordt het verleden oogenblik voor hem onklaar. Hij weet het niet precies meer, hij wéét het niet. Het was zoo raar: hij wou het zoo graag, en hij meent dat-ie immers niet gedurfd heeft? En nu? Grousser Vater Jisroyl! Dat is het verschrikkelijkste: hij heeft het gedaan en hij weet het niet meer. Ah! Hij weet niet meer dat hij het gedaan heeft: het is hem in zijn hoofd geslagen. „Ah!” schreeuwt hij angstig om zichzelf; hij houdt zijn armen stijf langs zijn zijden neer; hij durft er zijn lijf niet mee aan te raken. En nóg eens een lange schreeuw: „Aa!” in een angstigen afschuw van David Leefmans die ower-ewootel is geworden, die is gaan malen, die in het don-
165