Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



branden. Dat is iets daar haalt men zich van God de dood mee op zijn hals.

„En voor de zonden waarvoor wij schuldig zijn: uitroeiing of

kinderloosheid.

En voor de zonden, waarvoor wij schuldig zijn: doodstraf

door God’s handen.”

Daar rilt David nu van: „doodstraf door God’s handen”.

Yan de Sjoel, langs de zuinig verlichte kade, waar het schuurtje staat, loopt David. Hij is bang er al te dicht hij te komen; en toch zou hij zoo graag willen dat hij er door een heele reeks van handelingen die on-opzettelijk schijnen, heel erg dicht bij, ja zelfs desnoods binnen zou komen. En dat hij dan bijvoorbeeld lucifers had; dat hij ze nog in zijn zak vond van Nieuwjaarsfeest; dat hij het doosje dan open maakte en dat er dan (door hem en het wonder samen) zoo’n lucifertje aangestoken zou raken. Hij siddert terug voor het gebaar dat zou moeten onderzoeken of er misschien ja zoo’n spanen doosje in zijn zak is blijven zitten. Veel kan in een menschenleven gebeuren; veel wordt gedaan dat nooit gemerkt en ook zelfs wel door God niet gestraft wordt. Hoeveel vreten er niet op Joum Kippoer varkensvleesch, en het gaat ze goed? Ze lachen je uit: ze rijen in rijtuigen en ootemobielen en ze gaan uit: alle dagen feest. God straft ze niet; bij hun leven tenminste niet. En hij zit in de meroode, en deze smerige gloeiende angst heeft-ie er nou nog bovenop. Al zag-ie het schuurtje niet zoo van dichtbij dat-ie het kan betasten, dan nog zou-ie wel weten aan dat lood op zijn maag, dat het er nog is, en dat die vijftien kistjes sigaren er nog in zijn. Eigenlijk is hij zoo goed als in opstand tegen God. Want is het dan werkelijk niet een onrecht, dat een Jehoede voor zoo’n kleinigheid door die horken van de politie kan worden opgepakt en in het Bajes ingesloten? Een Jehoede die graag voor zijn huishouwen sappelt en zoo’n hakkefietje toch enkel en alleenig maar uithaalt om aan een stukje vreten te komen dat er doodeenvoudig niet is? Staan ze voor klaar om je de klosjes aan te doen, die stomme horken, aan een Jehoede die op Ivol-Nidrei-avend vastend in zijn witte sarkenes in Sjoel gestaan heeft, en er morgen de heele dag wéér wil staan, zonder een kruimel eten of een spog water over zijn lippen te brengen tot het morgenavond bij leven en welzijn „anbijten” is.

Hij staat stil bij het schuurtje; het is er bijna donker, in het

164
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.