Hoevelen haar betreden.
Wie leven zal,
En wie zal sterven.
Wie zijn bestaan ten volle zal einden,
En wien het eindpunt onbereikbaar zal wezen.
Wie door het vuur zal omkomen,
En wie door het water.
Wie door het zwaard,
En wie door den hongersnood.
Wie door den bliksem,
En wie door de pest.
Wie in rustigheid leven zal,
En wie zw'ervend zal gaan.
Wie vreedzaam zijn leed zal nemen,
Wie smartelijk worstelen zal.
Wien vernedering wacht,
En wie tot verheffing zal raken.
Wie zal verarmen,
En wien rijkdom zal worden toe-geschoven.
Maar BOETE
GEBED en GOEDE DADEN
Wenden van de noodlottige vonnissing de gevolgen af.”
De Gazzen huilt het bijna uit, met zijn Bidkleed over zijn hoofd; en Kol-Nidrei-avond wordt het er al niet beter op. Dan beginnen ze je met zulke groote woorden om je ooren te gooien, dat je heelemaal niet meer weet of je eigenlijk dat jaar niet ingebroken en verkracht en gemoord hebt. Als je een Magzour met vertaling in je jedaajcm krijgt, is het toch zeker om van te rillen. Want wat heeft men dan eigenlijk niet gedaan?
En het allerergste is nou wel dat-ie, nou-ie met God bezig is als in geen heel jaar, dat-ie nou juist God iets zou willen vragen wrat-ie ’m nog nooit gevraagd heeft, en dat-ie misschien nog noodiger heeft dan vergiffenis. Dat-ie God zou moeten vragen om hem bij te staan tegen die vuile politie, en voor zijn vrouw en kinderen, (dat meent hij) dat-ie niet in het vuile Bajes terecht mag komen. Dat God die giftige kistjes sigaren uit Jankef zijn schuurtje mag weg tooveren. Ja hoe? Kan Kodesj Borrege niet alles? Hoe: Da-vid meent: daar is men God voor, dat iets gevraagd w ordt dat een mcnsch niet eens kan noemen. Is hij soms God? Hij is maar niets meer dan die gesjochten David Leefmans, en hij weet een klein schijntje. Maar bet is hem geleerd dat God alles kan, en dat ge-
162