dat hij ze in het schuurtje van Jankef heeft geborgen; ze kan de schuur onderzoeken al denkt ze niet eens aan hèm, en ze voor den dag halen en hem dan het Bajes in schleppen. Grausser Vater Jisroyl, en hij heeft vrouw en kinderen! (dat is al een zet van hem, want hij weet dat dit als een deugd voor de wereld geldt en dat het ook voor de wereld bedreven is; zijn hartekracht heeft er geen deel aan). Al kent David maar heel in het algemeen den zin van de gebeden die hij vanavond in de Sjoel heeft meegezongen, mee-geroepen en -geklaagd: van de beteekenis van Joum Kipoer, van den Grooten Verzoendag, weet hij genoeg, om in zijn ordeloosheid (die niet zoo-als bij de anderen, een duister slagveld maar een gebied van ondoordringbaar donker is) het vonnis van God te vreezen, hoewel hij dan al het wit van doodshemden en synagoge-aan-kleeding, al de spanning van den Kol-Nidrei-avond en het hoogtepunt van den ootmoed in het geluid van den Ramshoorn noodig heeft, om daar bewust van te worden.
Groote zonden kent hij niet van zichzelf: een gemeenheidje, een pesterijtje tegen een of ander of bijvoorbeeld tegen Jankef; en méént men dat dan zoo kwaad? De ergste zijn die men tegen Kodesj Borrege zélf begaat in het verwaarloozen van de geboden; al vreest hij de straf daarvoor, daarom vindt hij het nog geen werkelijke zonden. Want wie heeft daar hersenen voor, om dat allemaal zoo precies in de puntjes na te komen? Daar moet men een Raaf of een Paus voor zijn, alhoewel de Paus (dat is Jankef) ook heelemaal geen fijne vrome man is, ach! wat meen je? Maar eet hij soms tryfe? (onrein) of werkt of rookt hij op Sjabbes, of houdt hij zich met christen-meiden of andere vrouwen op?
Dat zijn gemeene zonden; die zonden waar men niet van af weet en waarvoor men toch zijn straf krijgt. Die zijn leelijk! Men vraagt er wel vergiffenis voor, daarvoor is de Jom Kippoer ingesteld. Maar wat weet men er van?
Op Nieuwjaarsfeest begint het gedonder al. Dan beginnen ze je potverdomme al de dood op het lijf te jagen met al de soorten van dooden waaraan je dat nieuwe jaar verrotten kunt, en het is maar het beste dat je je klein houdt, en alles netjes mee-doet en bidt en zingt zooals je het geleerd hebt, en een beetje knap doet in die dagen.
„Op den Nieuwjaarsdag wordt het ingeschreven,
En op den Grooten Verzoendag gaat het verzegeld staan: Hoevelen de Wereld zullen verlaten,
161
11