Londen om zijn nuchteren kalveren af te nemen, als hij nu tegenover Jankef dan toch behoorlijk zijn plicht doet. „De wind waait uit een leelijken Hoek,” grapt hij tot Eli, „De Hoek-schen vallen opnieuw aan, en er is maar één middel voor ze, en dat is dat ze zelf juistement in den Hoek moeten gaan kruipen.”
Ozer komt niet naar Jankef. Zijn eenlijke trots is zoo heftig afwerend, zijn wanhopig gevecht om voor zijn gistende driften van pathos en critiek en zinnelijke beleving orde en erkenning te scheppen is zoo bezettend, dat hij Jankef’s reddende even-wichtskracht ontkent met een intelligente, maar altijd weer opnieuw opbruisende afgunst.
Die kent David niet. Hij kent hoogstens een slagje vrees voor Jankef’s maar zelden trefbaren grond van bewegende rustigheid, waarover, als zon op de rivier, een begrensde maar levendige geest van onderzoek en vriendelijkheid zijn kleurig en boeiend spel jaagt naar alle kanten. David’s minachting jegens Jankef is hondsch van achterlijkheid; zij sluit gretig aan op die van de inachtiger broers die langen tijd grootendeels zijn broodheeren waren; zij steunt en volgt die: de onlust van het dier dat, met zichzelf in het nauw, gift in zich roert tegen den vriend die meester is, onmachtig zijn gelijke te worden, en niet ver genoeg om met stil verlangen aan hem te ruiken. David is een knecht, en een achterlijke knecht. En hij heeft Jankef op Nieuwjaar in Sjoel de hand gedrukt; hij heeft zijn vrouw naar Jankef’s huis gestuurd, waar zij met Betje van Gelderen een half uur lang punten van overeenkomst heeft zitten zoeken, tot beider kaken pijn deden van de verwringing der spieren om zooveel moeilijke eenheid. En David drukt Kol-Nidrei-avond opnieuw Jankef de hand, lomp van onge-meendheid zoodat het bijna lachwekkend is, maar hoe zou Jankef, al ervaart hij den last ervan, de vriendelijkheid afwijzen of bederven van iemand die niets bezit? Hij bezit niets, David, dan zijn groote domme leeuwenlijf; en al is dat thuis op dit oogenblik dan niet te merken, omdat bij alle Joden, de vrouw die niet naar Sjoel is gegaan, met gekruiste armen over de borst bij de vlekkelooze tafel van den grooten Vastendag zit, hij heeft toch, na afloop van den zwaarwichtigen dienst, niet zooveel zin in dat huis, dat hij er dadelijk weer in wil kruipen, en dus loopt hij een eindje om. Onrust drijft hem om zijn toestand. Zijn beide groote jongens hebben nog net vóór Nieuwjaar uit zijn Dalles de beenen genomen om ergens in Amsterdam of Rotterdam van de familie uit, werk te zoeken;
159