Herman mag het dan niet meenens doen, hij komt Kol-Nidrei-avond, den vóór-avond van Grooten Verzoendag, in Sjoel na den dienst op zijn ouderen broer Jankef toe, en wenscht hem „nog veel jaren.”
„Dank je wel Herman! van ’t zelfde,” terwijl hij zijn Sarkenes, zijn witte doodshemd aflegt, dat men, zoo vlak bij God, doodsbereid en vooral doodsbedacht, dat eene etmaal in de Synagoge draagt. Mild zegt Jankef het, hoewel hij, langs hem heen, nauwelijks den glimlach om den mond en in de oogen onzichtbaar kan houden, omdat hij wel weet, waarom Herman hem vandaag, en nog niet eens verleden week, op Nieuwjaar, geluk komt wenschen. Te ver is Jankef, tot zelfs op dit oogenblik toe, nu toch die nieuwe basis van die twee honderd gulden bezig is zich te leggen, altijd van den welstand verwijderd geweest, om niet gevoelig te zijn op de bewegingen van zijn meer geslaagde broers ten opzichte van den afstand tusschen hem en hun. Want nooit, al is hij de oudste, hebben Herman of Ozer naar hem die beweging van eerbied gemaakt die zij toch volgens hun zede hem verplicht zijn. Jaar in jaar uit, een kwart eeuw lang, loopen zij hem in Sjoel voorbij, als het niet anders kan met een groet of knik, louter omdat zij meenen dat hun grooter inkomen de waardigheids-rangen tusschen hen verzet heeft. Sabbath na Sabbath kan Jankef op hun gezichten de balans van de week lezen: hoe meer kratten naar Londen, hoe verder hun koppen van hem af, hoe strakker hun nekken in het voorbijgaan. Al verdriet het hem, Jankef lacht er toch om: „Het is kompleet een lijst, hoe heet het, een publi-kaatsie, een soortement van een aangeplakte weekstaat,” zegt hij, „ik heb maar te zien hoe de fieselemieën naar mij staan, en ik ken op vijfentwintig gulden na de afrekening van Londen.” Terwijl hij dan zoo met zijn zwakke lijfelijkheid nog een beetje verslagen tegenover hen staat in die vernedering, lachen zijn oogen daarboven uit, een beetje scherp en een beetje vroo-lijk, om dat gebaar waarmee zij intusschen zoo toonen dat zij iets tegen hem te meten hebben.
En nu komt Herman, en Jankef weet dat er een „merakelsche kink in de kabel” moet zijn tusschen Londen en de kalver-hokjes ginds achter de groote kamer, en dat Herman op Groote Verzoendag de angst te pakken krijgt, en meent God en Londen te kunnen vermurwen. God om zijn zonden en
158