ziek is. Al dien tijd zit hij nu ongedekt op dat kleine afstandje naast haar, in zijn gemeene, verschoten, verkronkeld hangende en muffe plunje. Met deze scènes. Dat is een afschuwelijkheid van jezelf klein te maken, weg maken en verschuiven, en een verteedering tegelijk die teveel van hem vergen. Heerlijk haar daar te weten, maar onmogelijk zwaar; het is alles bij elkaar te veel soms. Als ze thuis nog zorgden dat hij tenminste fatsoenlijke kleeren aan had. Morgen is Nieuwjaarsfeest, dan is hij hier niet. Goddank niet. En helaas niet. Als dan, na Nieuwjaar, dat nieuwe pak dan nou maar komt. Ha, dan zou hij zich toch zooveel steviger voelen. Dat weet Vader niet, en zij, Betje! Dat het bijna alles scheelt, zoo’n fijn harnas.
157