sleepen, bijeen te stouwen en er bij te zitten stik-lachen en er tegen aan te trappen. En als er veel bijeen is, en de kansen zijn schoon, wel dan gaan zij hier of daar wat verpatsen, en van de guldens lol maken. En nu komt de politie; en niet voor de eerste keer. Je draait er een keer uit, en één keer draai je der-in. Verdomme: pech. Daar is niks an te doen: nou ook flink blijven en niet zeuren. Aan het uiteinde van zijn vrees voelt hij toch een machtige bescherming liefdevol staan: de wereld die zou moeten straffen, is de zijne, is vader en moeder duizendvoudig vertegenwoordigd. Stapelgek als je klein doet: niet verraden en niet liegen, dat wordt van je gevergd. Hij loopt langs de eerste bankenrij zonder opzien de klas uit. Als hij terug komt, zijn gezicht onbewogen, is van Wyhe aan de beurt, en nog vier anderen.
Matthias schudt geruststellend zijn hoofd tot hen.
„Het mag dan nu goed afgeloopen zijn,” komt de Vaars vertellen als allen weer in hun banken zitten, „maar ik moet zeggen: de heeren gaan vér hoor!”
Hierop ziet Matthias naar zijn makkers om. „Nou,” zegt hij droogjes, „maar dichtbij is ook zoo vervelend.” De bevrijde jongens giechelen uitgelaten.
Van Otje wordt Eli gewaar wat er gebeurd is. „Politie,” vertelt hij, „het was politie.” Eli tuurt voor zich uit, als hij hoort dat de politie van een paar onschuldige gapperijtjes weet die de jongens op hun tochten hebben uitgehaald, maar die de inspecteur uit sympathie voor de rakkers door de vingers heeft gezien. Dat er nu een aantal partijtjes sigaren gestolen zijn, en dat men aan hen gedacht had, maar dat zij onschuldig zijn.
Zooiets kan hij niet hooren, of een geur van de gang van thuis voert hem naar de herinnering terug van dien avond dat Har-tog het huis verliet. En waarop een dronken dalver bij hen zakken gestolen koper bracht, waar even later de politie om kwam, toen hij Vader al gebeden had, het niet te koopen. De politie die het koper weg haalde, en Vader eerst meenam; de dronken wildeman die later vader woedend bij den hals schudde in de halfdonkere gang, en pas losliet toen Eli in de straat om hulp stond te schreeuwen.
Allemaal voor hun Mexico-reis, voor hun boot. Zoo samen durf je heel wat. Als het maar niet zoo vuil tegen hém ging worden. Dat is laag van hun, en dat is nu beangstigend en onhoudbaar voor hem.
Bijna het ergste van het oogenblik is, dat Paul van Marken
156