tje: de gevoelige trots, de beheersching daartoe, en de ontroering, die de volle last van die beheersching toonde, en daarachter Jankef’s waardigheid. Hij heeft gelezen over de diepe mooie krachten die voor de maatschappij verloren gaan, door angstig voor-oordeel en ijdelheid onderdrukt. Hij is vrijzinnig kleine burger, en hij meent dat hij de bestuurder is van een klein rijk, waar hij kan doorzetten wat hij zijn idealen noemt. „In hun pink!” roept hij, „zijn ze beter dan jullie met elkaar.” „Och kom,” (Mattliias). De lange Henri de Bas glimlacht omlaag.
„Ik, ik ben daar verantwoordelijk voor!” roept de Vaars, „dat er iemand hier is, die jullie laagheden moet verduren! En ik duld dat niet! Begrepen? heeren?”
Eli zit met een hoofd als van roomwit steen, de oogen onder de lange wimpers omlaag, nauwelijks een trilling om de slaapvakken. Alles kan elk oogenblik naar hem op zien; gelukkig heeft de Vaars de fijnheid gehad het niet te doen. Nu doet het Otje Berghuis; hij wendt zich eerbiedig weer terug, en zegt eindelijk:
„Hij wordt alle dagen gepest hier. Laat het maar ’s gezegd worden.”
„Gelogen!”
„Da’s niet gelogen!”
„Da’s zeker niet gelogen,” roept lijzig de zachte blonde Johan van der Kuyle, de zoon van den militairen muziek-chef die aan een meisje van pleizier is blijven hangen, „jullie zitte altijd op ’m te miere. As je ’t dan doet, moet je ’t ook durve bekenne.”
De Vaars kijkt van den een naar den ander; de meisjes fluisteren.
„Maar, maar....” zegt Henri de Bas, „als-ie het dan zoo moeilijk heeft hier, waarom blijft-ie dan hier. Ergens anders heeft-ie, heeft-ie ’t misschien beter.”
Weer slaat het Hoofd op de bank vóór zich.
„Juist! Dat moest ik weten! De heeren zullen uitmaken wie hier de lessen zal volgen! Het is dus een formeel complot!” Nog luider, uitdagend over hun hoofden heen:
„Dat zal uitgevochten worden!” Hij loopt achteruit om heen te gaan. „Een volkomen verandering van houding, of het wordt: jullie deruit of ik deruit!”
Door die woorden van de Bas, waarachter hij een partij meent te zien die hem het luxe-verlengstuk van de macht betwist waarvan hij zeker is, is hij buiten zichzelf van toorn geraakt.
154