Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



oogenblik nog bang maken. Dat maakt hem wit van wrok en spannings-bezetenheid. En hij voelt zich als van ijzer worden, alsof elke klap van hem nu plettend zal aankomen, en hij is blind voor de gevolgen. Van Wyhe voelt het en dat het geen lafheid is, maar haat en hooghartige harde minachting, als het antwoord in hem gebeten -wordt:

„Ja maar dat heb jij niet te bestellen? Als ik wil. Zooiets als jij bestelt mij nooit en nergens.”

Op die bittere wegvaging, met volle, maar toch ook met de uiterste kracht van haat gezegd, kan van Wijhe zoo gauw zijn spot niet vinden. Zij loopen verder, naar de lokalen. Eli ziet omlaag. Hij weet niet, hoe dat moet eindigen. Het is nu alles anders geworden, door die houding van dat stuk pest. Zij dringen op. En hij moet den toestand nu nog verergeren, want op Vader’s dreigement dat die naar het Hoofd zou gaan, moet hij nu wel naar „de Vaars” om van den stok en de pet te vertellen; dat is te afschuwelijk als Vader het zou doen, en Jan-kef’s zet was goed. Hij gaat met tegenzin, en hij stelt het in ’s hemelsnaam maar als een kleine plagerij voor.

Maar de Vaars begrijpt beter.

„Komt dat meer voor?”

„Och nee meneer. Ik moest het zeggen van Vader. Anders zou die zelf hier komen. Ik vond het niet zoo erg de moeite waard, om daarvoor naar U te gaan.”

Ongeloovig zegt de Vaars:

„Zóó.” Hij kijkt naar Eli op. „Als het dan maar zoo’n grapje is, dan schijn jij het je nog al aan te trekken zou ik zeggen.” Hij ziet het hoofd van den jongen trillen. „Jij begrijpt me zeker wel, hè? Ik duld het niet op mijn school. Vat je?”

Die flinke stem, die eerlijke mannelijke houding. Hij vertrouwt de Vaars. De gesloten woede van den held breekt in stukken, en in eiken ooghoek, in het afgewend gezicht, schiet een scherpe traan.

„M”, doet de Vaars begrijpend. Hij knikt. „En daar zijn de heeren Born en van Wyhe de aanvoerders van, niet?”

Geen beweging.

De Vaars knikt weer, nu met opeengenepen lippen, voor zichzelf, om die houding. Hij denkt aan enkel trots, bij den jongen, tegenover zijn tusschenkomst. Maar het is bij Eli ook opgedrongen taktiek; hij durft, met die bescherming, de botsing niet op te drijven.

„Leefmans. Wou je dat ik niets zei?”

„Ik moet het van Vader. Niet om die ouwe pet,” hij brengt het 152

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.