„Be-je ook verliefd?”
„Nou, wie is der nou niet verliefd.”
„Nou, hoe zou jij nou een gedicht maken? Zeg ’t es?”
„Onzin. Ik kan ’t niet.”
„Nou maar hoe zou je ’t dan doen.”
„Nou, dat zou geen gedicht wezen. Ik kan geen gedichten maken. Ik zou zoo maar voor de vuist weg praten:
„Lieve schat, laat me nou ’s één keertje met je smoezen. Ik heb je zoo ontzettend veel te vertellen. Allemaal gezien op mijn reis naar jou toe. Maar je moet ervoor alleen met me zijn. Het wordt nou tijd dat je komt. Je denkt dat je daar maar zoo gewoon heen marcheert, maar het is niet gewoon. Je moet naar mij luisteren. Een avond, aan het water. Dan zal ik je vertellen hoe die kinkels, die gabbers je allemaal bedonderen, met net te doen of het gewoon is dat ze met je mogen praten. Kom je nou?
Een knikje maar uit jouw engelachtig smoel,
En ik weet alles.
Want zóó is het voor de heele boel,
Want zóó is het voor ons fijne Doel,
Toch een sof van een Dalles.
„Nou heb je je rijm ook derbij,” lacht hij.
„Omdat,” sluit Max, „je de leelijkste bent van alle Kalles. Dat is geen gedicht.” Max zegt het vriendelijk; hij kijkt Eli bevreemd aan. „’t Is ook geen lyrisch proza, ’t Is misschien wel lyrisch. Maar ’t is geen proza! Dat moet je eens voor der opzeggen, zeg! Maar op wie ben jij verliefd? O! bliksem ik weet ’t al. Op dat meisje, hoe heet ze, van je oome, heet-ie niet Da-vid? Uit de Spilsteeg? Aardig gezicht, moe ’k zeggen.”
„Yin je d’r aardig?”
„Aardig gezicht. Maar ’t zou niks voor mij wezen.”
„Jammer. Anders kon je d’r krijgen.”
„Is ze ’t niet?”
„Nee, die toevallig niet.”
„Verdomme boef, wie dan?”
„’n Héél andere hoor!”
„Nou wie?”
Nee, dat kan toch niet. Daarin geeft hij zich niet over. Hij vindt zich al driest als hij, na zoo lang zwójgen, nu zegt: „Och onzin. Wat geeft dat nou, wie. Ik kan je alleen zeggen: „Het Liefste Meisje Van De Wereld.”
150