Je voetjes zoo teer en zoo slank en zoo fijn,
Ze konden de voetjes van ’t Chineesje wel zijn.”
„Je moet zeggen: Ze konden ’t Chineesje z’n voetjes wel zijn.” „’t Klinkt mooier, dat geef ik toe. Maar ’t is feitelijk fout.” „Nou maar, in die gedichten die je me hebt laten lezen, daar doen die dichters dat toch ook. En je hebt gewoon een leelijke laatste regel. Nee, dat kan niet. M’n vader zou zeggen: je bent toch een echte Jid; je knoeit met de maat.”
„Ja maar ik geef te veel,” lacht Max. „En jij bent juist de Jid die niet kan uitstaan dat ik te veel geef.”
Zij lachen.
„Mesjogge?” grapt Max, hoewel hij zelf, van zuster Rosa en van Jozef, af en toe tot Eli of in huis een Joodschen term gebruikt.
„Maar zeg, vindt je ’t geen aardig vers? Of vindt je dit andere aardiger?”
Hij leest er nog een voor. Dat is meer op de directe teederheid ingesteld. Het stelt de kans dat de dichter het volmaakt onbekende meisje leed zou aandoen, als nihil, ja als ondenkbaar voor. En met de verzekering, die één is met de waarborg van het rijm op het woordje „toe”, eindigt het in den kreet:
„Hoe zou ik kunnen? Hoe?”
Max heeft, met zijn stem die al zwaar begint te worden, het gedichtje een gevoeligheid willen geven die een beklemdheid toont, grooter dan men jegens deze vage heilzame liefdewek-ster wel zou kunnen verwachten. En Eli, eenmaal bij een vriend, weet op zoo’n oogenblik van geen ernst meer. Hij heeft nu zooveel behoefte aan uitgelatenheid, dat hij in een lach schiet, en zoo aanstekelijk, dat Max hartelijk mee-grinnikt. „Hoe-hoe! Hoe-hoe? Hoe zou ik kunnen? Hoe-hoe!”
Zij lachen lekker samen.
„Hoe-hoe! Een uil! van de toren! Hoe zou ik kunnen? Hoe-hoe! Nou maar, stil maar, geloof maar gerust: as je moet, dan kan je wel.”
Max schatert het uit. „Ja, ik vin ’t ook niet zoo erg geslaagd,” probeert hij ernstig te zeggen.
„Onzin.” Eli vindt het knap. „Jij kunt toch echt een gedicht maken. Ik vind ’t toch reuze-knap.”
„Jij zou ’t zeker weer heel anders doen, hè?”
„Dat kan ik niet. Ik zou der geen regel van terecht brengen.”
149