van de jongens van zijn kring, de gevoeligheden kan plaatsen, die hem wel niet beheerschen, maar die, uit zijn bloed en op zijn jaren, zijn school- en familieleven dat niet vol-stovend is, nog een beetje warmen.
Max vertelt dat hij de fietsende jongens is tegen gekomen: „Vóór-Mexicaansche oefeningen,” lacht hij wijs.
„Ze hebben mij tenminste mijn pet en mijn stok weer af gegrepen,” vertelt Eli, en hij lacht er ook bij, terwijl hij bij de gedachte aan die oefeningen zenuwachtig zijn armen rekt om voor Max het water te verbergen, dat bij de voorstelling van die zoete druiven in zijn mond komt.
„Je pet en je stok? Ssst. Ze zijn wel extra vervelend tegen jou. Wat moeten ze toch steeds met jou. Pest je ze soms?”
„Ik hun?”
„Ja, je hebt nog wel ’s,” met een lach-scheutje dat een wijs bestraffinkje is, „van die buien van zware hoogmoed.”
„Ik? Waar slaat dat op?”
Max’ oogen schitteren achter zijn brilleglazen, terwijl hij Eli de les leest.
„Dacht je dat ik ’t vergeten was jongetje? Dat je verleden week Harry Speelman zoo min behandelde, toen-ie met ons mee wou?”
„Wat? Heb je ’t daar nou nog over? ook goed. Weet jij dus niet dat dat een grapje was? Ja, je liep zoo gauw kwaad weg, dat ik geeneens gelegenheid had om er nog wat van te zeggen.”
„Als je tegen iemand die zegt: „zal ik meegaan,” zegt: jij bent toch veel te min om met ons mee te mogen, dan vind ik dat geen grapje. Dat vind ik min.”
Eli loopt even verslagen naast hem. Hij weet dat hij schuld heeft. Maar niet de schuld die Max hem toeschrijft.
„Ik snap niet dat jij denken kunt dat ik Harry niet mee wou hebben, en dat ik ’m werkelijk te min voor ons vind. Dat weet je toch wel beter. Dat ik ’t fijn zou gevonden hebben, als-ie mee was gegaan naar de tuin? Dat vind ik toch fijn, met z’n drieën samen? En ik vind niemand te min. Te min! Harry Speelman toch zeker niet.”
„Waarom zeg je ’t dan?”
„Nou ja, als ik dat nog vertellen moet.... Een grapje.....” houdt
hij maar tegen zijn zin vol. En hij kan niet zoo ver komen te bekennen, dat hij uit malle verlegenheid en onhandigheid de grapjes van anderen soms glad mis na-volgt, en daarmee afschuwelijke situaties schept.
147