„Hij heb geen maddel vandaag; niks opgehaald.”
Hij kan niet anders, Matthias; binnen de grenzen van zijn persoonlijke krachten heeft hij geen schuld. Hij vindt het Joodje on-uitstaanbaar op zijn weg: onrein, onoprecht, laf, brutaal, wee-zoet in zijn ijver om mee te tellen. Die ijver doet hem, waarschijnlijk onder bewonderende aanvuring van zijn heele achter muren schreeuwende en luizenknappende familiebende, den in het zweet drijvenden sprong naar nommero één van de klas maken. Ongevoelig voor de afkeuring van zijn mede-scho-lieren, zoo meent Matthias in zijn onhelder verwoorde gedachten, blijft zoo’n jongen met zijn ou-kleer-pakkies schaamteloos tegen hun woede en verontwaardiging inloopen; „het zijn ook zelf vodden tusschen de menschen in,” zegt Pa, „in het werkelijke leven voor niets bruikbaar; in alle opzichten leven ze van afval, en alles is knoei en schijn bij ze. Het kan wel zijn dat er anderen rondloopen die wat beter zijn, ofschoon die dan toch ook uit net zoo’n zoodje komen en even onuitstaanbaar zijn in hun opdringerigheid. Maar dit is gewoonweg smerig. Dat zijn van die holen waar alles aan de maatschappij vijandig is; broeinesten van socialisme en anarchisme en zoo, van ziekelijke wraak op de geordende maatschappij die ze niet gebruiken kan.” En hier, in zijn smakelijken, stevigen en glorie-rijken ochtend, onder de frissche gestreeldheid van zijn leiderschap bij dat wilde muiterswerk, waarin zijn onstuimig bloed hem tegen de tamme wetten van de wereld opzweept die zijn jeugd afheinen — hier voelt hij zich met lichamelijken weerzin over dat ouwelijk voortklepperende klitje sluwe zoetheid vallen. En hij verscherpt er zijn houding tegen, en spitst ze toe met zijn zwijgen op te geven en zijn bittere gesloten felheid er dreigend naar te snijden.
„Hij heb geen maddel vandaag; niks opgehaald.”
Eli voelt met heete pijn de wond die een intelligente haat hem toebrengt. Het wordt zoo goed gezegd; het is zoo vlijmraak gekozen; het stelt hem, voor de anderen, zoo schuldig aan de comedie van hun gelijke te schijnen als jong studeerend lid van een beschaafden kring, terwijl hij, voor hen verborgen, toch voor anderen hun stand bevuilt met een baan van het verachtelijkste scharrelaarschap, als een dwerg-vohvassene bedreven. Die belachelijke gedrochtelijkheid en die dierlijke verblindheid tegenover het hunne voelt Eli zoo scherp houwend uit die woorden in zijn zekerheid, dat hij zijn kalmte voelt breken en Matthias rauw na-schreeuwt:
„Vuile stomme hond! Je kan de pest krijgen! Wat doe je hier
10
145