Plotseling drijft een onzinnelijke hartstocht, een hartstocht als van het brein alleen, hem tot de uiterste kracht-spanning van zijn verbeelding. Zijn oogen boren in haar blikken, grijpen daar vast, slaan de haken van zijn wil rondom haar weerstrevende, onwetend-vervreemde liefelijkheid, en dwingen haar blikken in vriendelijke innigheid naar hem op.
„Eli.”
Zoo zal het zijn. En daarmee zal de wereld veroverd en alle vijandschap aan zijn voeten zijn.
De wereld wordt dan veroverd. Zij wordt veroverd van binnen uit. Zonder voor woorden zelfs moeite te doen, ziet hij het zoo: Door de diepten heen, waar de edele kern en de tegenstand in elkaar verward schijnen. Daar recht door heen. Zij naast hem, als de vaste onbreekbare bloesem die de winst der erkenning is. En het feest zal voltrokken staan, de rechtvaardige belooning zal hem rustig begeleiden.
„De zee zag het, en vlood,
De Jordaan-en week .”
Het vlugge dansende rhythme van den Psalm hupt aan:
„Bergen huppelden als rammen,
Heuvelen als lammeren.
Wat is U, zee, dat gij vliedt?
Wat, Jordaan, dat gij terug wijkt?
Bergen! dat gij huppelt als rammen, Heuvelen! als lammeren?
Voor de rechtvaardige kracht die het geluk brengt;
Voor de redelijkheid die den jongen Eli Leef mans, uit de diepte van de misvatting zijn Bruid omhoog draagt! Voor de eenvoudige billijkheid die het Meisje tot hem doet
inkeer en!
Daarvoor beef, o aarde!
Voor de rechten van het Geheim, beef....
Halleluja, Looft het Doel.”
143