Klaartje die zich verdronken heeft, omdat hij het met zijn wilde opjagende vrouw, met zijn meesters en eindelijk met zijn booze borrels niet meer bolwerken kon. Eli weet nu dat hij van hem gehouden heeft, en in zijn herinnering van hem houdt alsof het een verongelukt broertje is geweest; in zijn aandenken heeft hij iets van de beklagende en toch geheel zich met hem vereenzelvigende teederheid, die hij jegens den verloren broer Hartog had: als Christenjongen op een bewogen avond, met nauwelijks een knik-groet naar Eli, voor altijd uit het huis verdreven. Zooals dan Oome Louis het „Aniem Zemierous” zong, met al zijn kinderlijke overgave en zijn blijdschap omdat hij, de on-ontwikkelde, daar toch mocht zingen, zoo tot in de kleinste wendingen wil hij het nu voordragen: een heimelijke herdenking van een die niet meer in genegenheid herdacht wordt, dan misschien met een enkel woord door Vader, in een uitgesleten zucht.
„Aniem Zemierous”,
Ik wil liefelijke liederen zingen;
Ik wil gezangen optasten,
Want mijn ziel Is hunkerend naar U.”
Voor hem is dat „U” niet God; nooit, behalve het eerste oogen-blik van de kennismaking met het woord, als aanduiding van het centrum-doel der kerkelijke plichten, heeft hij dat woord als de benoeming van een persoonlijke macht begrepen. En hij is zoo ver, dat alle heerlijkheid, waartoe hij het leven wil zien opgedreven, dat zijn eigen doel, klinkt in dien naam, waar en wanneer hij dien ook uitspreekt, vanaf de uitroeping in de Synagoge, tot het fluisteren bij het uitkleeden in het Nachtgebed. En zoo beteekent het hier het wijkende eindpunt van zijn uiterste verlangen, de aansleurende magneet van een hoog, licht-beklauterend, zelfpijnigend zwoegen boven alles van het Daagsche uit, ja ver boven het Meisje uit, dat met haar donkere stilte achter hem boven zal zitten — en hem niet bezielen. Hem niet bezielen eer alle lied verzonken zal zijn; eer het gevecht om de volle uitleving tot de overwinning toe gelukkig zal zijn doorklommen, en de banken van de menschen rondom zullen klapperen voor het losmaken naar de kleine gemeenzaamheid der huizen. Dan, ja dan zal hij haar zien.
En als hij haar dan ziet? Als hij dan vóór haar staat? Wat dan?
142