dan aan kan blijven hangen, om rustig iets lager den volzin uit te tellen als een duidelijke en heldere verkondiging, vlak beneden die hoogte — van de beteekenis van die stijging. En je glijdt zalig verder omlaag, in een paar huppelingen naar de diepte van je stem, en de slot-F is als een lekker koekje dat je als belooning krijgt: je kunt er zoo lang aan smullen als je wilt, want je verdwijnt ermee in het koor, dat met een enkelen toon hooger over je heen komt schuiven:
„Tsoufeé we-jou-dy-ang Se-soo-oo-ry-noe".
„Hij doorziet alles, kent onze verborgenheden,
Weet van elk ding het einde, bij zijn aanvang.
Hij loont elkeen met zijn zegen, naar zijn werk.”
„Den booswicht zendt Hij kwaad naar zijn misdadigheid,”
roept het koor in een krachtige stijging van stemmen daarna. En hij mag sluiten met de herhaling van het indrukwekkende vers:
„De dooden zal God door zijn goedheid weer ten leven leiden, Geloofd tot in alle eeuwigheid, zij de roep van zijn luister.”
Meyer zingt dan nog het Adoun Oulom met de gemeente, want hij heeft den dienst, met zooveel afwisseling als hij kon brengen, zoo grootsch mogelijk opgezet voor die dagen. Dat is voor den vóór-avond zijn deel; al genoeg om als vergoeding van zooveel kale weken naar te verlangen. Want het is avond, en feest zooals hij nog niet gekend heeft sinds de broers hem met het leege nest hebben achter gelaten: al wat licht kan geven, brandt en al wat de Sjoel bereiken kan, staat gepoetst en gesmukt in de banken, en de vrouwen-galerij boven is voller dan hij ze ooit zag: een dichtbezette Sjoel van muur tot muur, in alle banken. En op den dag zelf, behalve uit de wets-rol te lezen, een stuk van den gebedsdienst te mogen leiden. Het „Aniem Zemierous” te mogen zingen, over welks herhaling hij langs de rivier zoo tevreden was. Omdat geen hoekje bleef dat met zijn eigen toeleg niet gevuld was. Daaraan is voor hem een zoete liefelijkheid, zoo verborgen, dat niemand de gevoelige wijding ervan kennen kan. Want hij wil het zingen zooals eens, eiken Sabbath Oome Louis het zong, de man van tante
141