Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



komt dus mee, en hij zingt. Wel niet voor haar, want dat kan niet, maar dan toch in haar lijfelijke en bijna bovenmensche-lijke tegenwoordigheid. Voor haar kan hij niet zingen, want wat hij te zingen heeft, zet te zeer dien kant van hem in volle bezigheid, dien zij alleen zou kunnen waardeeren, en waarvan zij alleen van terzijde zou kunnen houden. En dan is toch ook dat zingen nooit voor één: voor één kan hij niet zingen dan wat voor één bestemd is. Vol is hij van de voorbereiding tot die uren die hem, over een paar weken, wachten om hem heel en al op te nemen in de hitte van hun eischenden, maar ook kronenden greep.

Den vorigen Woensdag heeft hij den middag loopend langs de rivier verzongen, in een onvermoeibare oefening, een onderzoek van zyn eenheid met het lied, een doortasting en een doorproeving van de beweging der zegging, een doordrenking van zyn wil met elke levende wending van die Thora-lezing en die gebeds-zangen die voor hem als de schokkende, duikende, en zich eindelijk verheffende deelen van een lichaam zijn, zooals hij ze mag opdragen. Het lichaam heeft een wil die tegen-wil is: het worstelt, het wijkt, het verzet zich, en verlangt het niet toch te stijgen? zijn taak is, het overal te volgen, het zijn wil te laten nadat hij het in zich op heeft genomen, en er toch den stijgens-drang van te grijpen en het mee omhoog te dragen: vriend en beheerscher is hij ervan.

Aan de rivier, alleen, enkel met het stille eigen genot bezet, ver van Jankef en Rabbi Meyer, leert hij het gevecht tegen de levende, weerstrevende stof, om de volheid van het Beeld — zonder het te weten.

Hij komt te dicht bij de stad nu al, naar zijn zin; hij slaat een stil pad in. Langs een vaartje, achter oude maar verzorgde burgerhuizen van dorps-grooten en kleine renteniers uit de stad, liggen vriendelijke bootjes, roerloos, als dieren sluimerig aan kettingen en aan vlondertjes te wacht. (Buiten wonen, vooral als je verliefd bent, dan, in den zomer, kun je rondgaan, en daar achter het huis, bij zoo’n bootje staan, en de dag en de aarde in bezit nemen.)

Moet hij niet gelooven dat hij eigenlijk toch een gelukkige jonge is? Vóór het hoogtepunt van zijn leven dat later zal zijn, als hy, weet hij hoe? zijn stille wonderen zal tooveren, lang daarvoor, straks al, op zoo’n feest in Sjoel te mogen zingen! Dat schijnt toch te kunnen in het leven; dat heeft hij al meer ondervonden: bij al die achteruitzettingen door het lot en de menschen, komt opeens iets van het volmaakte geluk vóór je

138

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.