Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



schen de kinderen van Jankef in; zijn beminnelijke en bevriende voddenheuveltjes, zijn mijmerend oud-roest, de verslagenheid van zijn meubel-rompen. Zijn angsten die de lonten zijn tot de vreugde-vuren van de veiligheid; zijn kwellingen die de zwoegende groei-koortsen zijn van de krachtige gezondheid der overwinningen; zijn zwevende verrukkingen om het samenzijn met allen, waar doorheen de bange, barre gedrochten der verlatenheden nog hun strenge, leerende, manende huiverschaduwen zetten. Al de liefde, de liefde, aan de zijnen in golven toegedreven, of ingehouden uitgeteld in stille, schrokkige, korte beten de dronken jaren door. Alle teeder-heid, van de anderen door hem opgevangen in de verlegen sta-melingen naar zijn saamvattende en ziftende bekroningskracht; getrokken uit de onderschepte en haastig ont-kernde twist-kreten die wilden vluchten, als leelijke vogel-lichamen wier kostbare veeren hij plukte eer zij ontkwamen; en uit de schreeuwen van opstand en de liederen van de feesten die loodrecht als brandoffers opklommen, maar eer zij het huis ontstegen, den cijns van hun smijdigheid naar zijn hart lieten uit-dalen, tot een optasting van heimelijke gewisheid, voor altoos. Dat alles geeft hij haar: de diepe, donkere kracht-winst van den nood, door alle handen en harten en verzwegen schaamten gedragen, en de bloedige innigheid van de heete, met liefde overladen verwarring. Dat alles krijgt zij, als zij komt. En hoe zou zij voor dat alles niet komen? Zij komt; natuurlijk komt zij. De Geliefde uit het Hooglied, die wonderlijke vlugheid, fijnheid en bescheiden scherpe kracht; die levende stilte die werkelijkheid is en altijd weer verrast; die zachtheid van een pratenden lentewind door dichte sparre-veeren; die mond waarin het stem-geluid eerbiedig smelt eer het zich tot anderer ooren waagt; heel dat wezen dat de bouw is van zooveel edel gespannen voorzichtigheden en toch als eigen hooge orde-kracht bestaat, het komt. En in werkelijkheden die het leven nu al met de glansen van hun verheffing beleggen, komt de verloving.

Zonnig, waaiig is de straat, als zij verloofd zijn. Anderen in het voorbijgaan, roepen vriendelijk stoeisch: „Dag jonges!” Zij blijven ergens staan praten: „nou dag! dag lui!” (Dat getuigt van menschenkennis, zou Vader zeggen, om jou zoo te noemen: „lui”. Betje van Gelderen zou lachen, maar wie zou daar dan nog boos om zijn?) En met elkaar babbel je soms raak en onzinnig op zoo’n levendigen, bonten ochtend, in de lichtwegende lucht die uit alle dingen de zwaarte weg-toovert. Tussehen de zwevende boerenkarren, en de snelle, door den

136
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.