wit-gloeiende, spannende centrumplek, zijn eigen maaksel dat wéét hij trots; onbenaderbaar, en bevend omwikkeld: het meisje. Hier op den terugweg is zij anders voor hem, het meisje: hier is zij volkomen zijn meisje. Naast hem.
Straks, bij den haard, in den geur van het rookende, vlammende rijshout die, langs den omweg van den sluimer, den slaap verdreef, heeft hij zichzelf in het gebonden huwelyk met haar voorgeleid. Hij die zich nauwkeurig gadeslaat, hij weet dat het zijn hang is naar verlossing in de onderwerping, een als zwak gekende doch soms gestreelde en doorpeilde vorm van zijn jacht naar vrede. In die zwakheid misvormt zich nog soms zijn uiting; hij weet dat hij sentimenteel, onharmonisch, vormloos doet: hij toetst het in gedachten aan het oordeel van volwassenen en het is of zijn beeld is geworden als een lichaam, tot stevige ovaalheid bestemd, en nu tot een uithangenden zak-bouw misgroeid.
„O God, geef mij haar tot vrouw.” Met iets moet hij het pathos gehoorzamen, dat dringt. Dat kan niemand dan hij zelf begrijpen, en niemand anders mag het beoordeelen. Want alleen hijzelf kan het schatten, vergeven en straffen: hij weet dat het uit den eigen, nog onvolkomen verwerkten nood, uit de eigen, nog onkenbare, nog lichaamlooze deugd ook, zoo geworden is. Maar hier op den terugweg, in den jong zich neerzettenden ochtend, bij de verre vriendelijkheid van de zon die speels en steels nog maar vakjes van aaiing tegen boomkruinen en daken legt, om ze straks met zijn warmer omgryping te bedekken en in bezit te nemen, hier is het niet meer huwelyk, waarin hij zich met haar samenziet: hier is het verloving. Verloving dat lijkt het feest van de volle jeugd, dat is het feest van de erkenning door het meisje en voor de wereld. Dat is die lichte vastheid van geluk, waarin nog geen slaafschheid van plicht den breuk van twijfel en verdenking slaat, dien hij al bij zooveel huwelijksparen bij loomheid en berusting heeft leeren kennen. Dat is, zooals hij het beleven zal, de gewisheid, de vaststelling der verwachting van het levensgeluk met elkaar; dat is de opgang, het vertrek naar het geluk; dat is de uren-vullende verrukking van den grooten vóór-dag en van den gloeienden vóór-avond van het feest. Dat alles is mogelijk, waarom zou het niet? Alles is mogelijk, hier op den terugweg. Hoe doet hy met haar tegenover het zijne? Dat is eenvoudig, gemakkelijk, natuurlijk en van de Liefde: hij trekt haar in zijn sfeer. Hij schenkt haar de intimiteit van zijn huis en van zijn verleden, van heel de geschiedenis van zijn wording tus-
135