werping of uitdrijving van allen onwil en onlust aan den wil van die gisting.
Het recht en het vermogen om Matthias te haten heeft Eli niet geleerd: hij heeft alle krachten noodig, om, bij het bewaren van zijn droom, zich als on-erkende in geduldheid te handhaven. En bij zijn jaren past geen verzet tegen de ondernemende onstuimigheid van zijn vijandig-gezinde klas-genooten, en juist op den verren afstand (dien hij niet on-verkortbaar meent) kent hij zeker genoeg de aansluiting van hun wenschen op zijn eigen hunkeringen: verre landen, zon, natuurleven en vrijheid, een avontuurlijk samen-bestaan tot op een ondenkbaar tijdstip van de scheiding! Het verlangen naar zulk een staat buiten de leelijkheid van vorm en geluid rondom heeft van zijn vroegste kindsheid af, vandat zijn broertjes Ezra, Mau en Hartog hem als bewaarschool-leerling het genot van hun jongens-lectuur mee-deelden, het voorloopig uiteinde van elk droom-uur beteekend.
Maar Matthias Born haat Eli Leefmans. De vreemdheid van het Joodsche pauper-kind is verachtelijk voor hem. Omtrent het ras heeft hij niets geleerd dan dat het, in zijn Aziatische achterlijkheid, opdringerig en sluw is jegens de volkeren van het Westen waartusschen het te lang gekleefd blijft, belust om in onvolgbare en altijd verrassende slinkschheid het eerlijke breede doel van zijn naïeve gastheeren te vertroebelen, op de. vruchten daarvan beslag te leggen en dan in wraakzucht te heerschen. Zoo heeft Matthias’ vader hem over de Joden gesproken: een afschuwelijk volk, aan de beschaving vijandig, ontbindend tegen alle orde, fanatiek zelf-ingenomen en blind besloten tot de vernietiging van al wat de wereld van het Westen tot stand bracht; tot veel te groote macht geklommen door de lakschheid, de zwakke valsche gevoeligheid van Europa en Amerika. Maar er is voor Matthias’ aangeboren voornemen om aan het aanzienlijke in de wereld gelijkwaardig te worden, in de verschijning van Eli een element, dat, veel eerder dan diens Joodsche geboorte, den jongen Leefmans tot een jacht-doel voor hem maakt. Dat is de armoede van dat huis, die zich te onwetend, te weinig bedekt, te min bewaakt, aan den zoon van het schoone leeraars-gezin vertoont. Papa Born heeft dan ook over Eli niet anders gezegd dan: „Wat moet zoo’n jonge dan ook bij jullie op school. Dat is toch belachelijk en schandelijk.”
Matthias Born heeft vriendschap met zijn vader; in de onbevredigdheid over de tamheid van zijn studie-loopbaan spie-
132