„En is dat dan niet mooi?” vraagt Jankef, „dat nommero één juistement het slechtste pakkie aan heeft? Dat vind ik nou juist het allermooiste.”
„Dat kan wel. Maar ik niet. Dan moet jullie daar maar in de bank gaan zitten, godverdomme, tusschen al die anderen in, die er goed uitzien. En in het vrije kwartiertje buiten spelen. Hiér kan ik er uitzien zooals ik wil. En zooals jullie willen. Maar daar niet.”
„Goed, goed!” Jankef knip-oogt naar Betje. „Nou, ik zal je wat vertellen. Heelemaal onwaar is het niet wat je zegt. En omdat het niet heelemaal onwaar is, daarom zeg ik je dat er gezorgd zal worden voor een knap pak, voor óp de school, voor tusschen de anderen in „der goed uit te zien”, begrepen? Voor je Sjoelfeest heb je je beste pak. Dat is toch zeker in orde.”
„Ik kan toch beter....”
„Laat het mijn over; je krijgt voor je school een knap pak. Als het knap is, heb je toch niks te zeggen? Nou dan.”
Hij is al blij met de toezegging. Hij gaat met de oliekan naar boven.
Voor het „Feest”. Voor Rosa van Raalte, voor Evelien.
Voor Louise Maria van der Wal.
Als Jankef met Betje alleen is, bestelt hij, zoo heimelijk zacht, dat hij er zeker van is, het tot Eli boven niet te doen doordringen:
„Ik heb een pracht van een pak heb ik gezien hier bij deze boel, dat is geknipt voor ’m. As je nou heengaat Bet, en je klopt het, en schuiert het, en je neemt een heete strijkbout en je strijkt het netjes uit, dan is het als gloednieuw. Ik zal het je morgenochtend uit de schuur halen: mooi grijs jongeheeren-pak, Norfolk heet dat, je weet wel. En het past ’m precies! echt voor zoo’n jonge student. Hij hoeft van niks te weten; maak ’t maar stiekum voor ’m in orde; het steekt op geen uur. Hij heeft nou zoo lang gewacht, hij kan nog wel een dag wachten ook, tot dat je er goed de tijd voor hebt. Maar kijk het maar ’s even na, en als het klaar is, dan is-ie er knap blij mee.”
Zij knikt. „Dan kost het nog genoegt,” zegt zij, „want als ’t zoo goed is, dan brengt ’t toch ook op z’n minsten twee rijksdaalders op, op de mart.”
„Wat moet-ie toch hebben,” besluit Jankef zacht.
130