kracht-spanning, boven den wrevel uit, waarmee alles van dezen dag, wolkgrauw maar toch doorlicht, tot knevelen gereed, maar toch opstootend tot losmaking, hem prikkelend en persend van zich weg schijnt te willen schieten. De school, de jongens, de hachelijke, als uit de lucht gevallen overwinning van het hoogste rang-nummer, de vernedering met den sleutel, de onwil van Rosa van Raalte, Evelien’s bitsheid en onttrekking, het onbevredigende van Max en de bemoeienis van Marius de Rree die toch een naargeestigen smaak heeft achter gelaten, alsof hij voor dat opgedrongen voordeel zich bevuild heeft. Overwinning noch nederlaag staan vast; er is geen van beide. Maar één van beide moet blijvend worden. En dat is de overwinning.
Hij hoort vader nog zwaar-frisch zeggen:
„Kan wrel wezen dat anderen der anders over denken die óók menschen zijn van wéten. Maar zóó is mijn meening derover.” De verliefdheid op Louise van der Wal blijft levend in al die gevoelens; maar zij wijkt levend naar den achtergrond. De eenige bevredigende daad, al is zij maar een stevige afschijn van het Doel, dat is zijn komende dienst op het Sjoelfeest. Nee, het is niet alles. Maar het staat vóór hem als een oogen-blik van krachtige, bevrijdende uit-leving. Al is die uitleving het eerste, dadelijke doel: Louise van der Wal, Eveline en Rosa van Raalte, Max en de jongens van de klas op den achtergrond, staan in den wijd lichtenden glans daarvan: hij kan nog niet anders dan met eerzucht vechten om erkenning. Hy zal er alle kracht, alle scherpte, alle indringende liefde voor het onderdeel, op zetten. Ja, hij gaat nu naar boven, studee-ren. Het moet „ad perfectum” zijn. Goed, het zal ad perfectum zijn. En Meyer zal hem niet remmen, dezen keer, zooals hij wel eens wil.
„Nou, ik heb ze ook gekend,” hoort hij Betje zeggen die uit het keukentje komt, „die fijne vrome meneeren, in den ’Aagt, die de heele dagen dan boven hun boekies zaten te ooren en te doen, en ’s avens” (zij spreekt met wijd-open af-bijtenden mond, in de zekerheid van het succes nu zij toch zoo eensgezind over zoo’n onderwerp mee praat), „’s avends, zegt zij met een blik even meedeelend naar Eli als naar Jankef, „moesten ze alle havenden kouwe afwasschingen hebben. Dan moest de meid die moest met ze mee voor de kouwe afwasschingen te geven; met kouwe natte doeken, op hun nakende lichaam. Zukke fijne vrome meneeren waren dat. In den ’Aagt.” Jankef en Eli zien elkaar aan. Eli zwijgt. Zoo rotterig en el-
128