ook wel gezien en gesproken die wèl mènschen zijn. Maar je hebt der ook anderen. Oa! ik heb ze gezien die den heelen godganschelijken dag in een hoekie zitten met hun smoelen boven de tillem-boekies, als maar dumme-dumme-dum, dum-me-dumme-dum, zonder boe of ba of fatsoenlijk opkijken, ja maar ver-véélend! of ze meenen dat ze daarmee alleenig zoo regelrecht het Kan Yden (paradijs) mee inzweven! 0! zulke dooie griezelige stukken vreten!”
En hij beleert op zijn wijze Eli: „Dat is toch ommers geen vromigheid? om je godganschelijke leven daar maar te zitten griebelen! Een Jood moet zich met de Toure bezig houen en doen wat er geboden is, en laten wat-ie niet mag doen. Maar hij moet levenl Ozoo.”
Eli ziet hem aan; hij kan zijn gedachten niet uitspreken, maar dat hoeft ook niet hier. Het groote kind Jankef heeft Evelien gezien, ja, lijfelijk aangevoeld in haar trilling tegen zijn arm en schouder. Dat, en de overwinning op haar vader, zijn tevredenheid over zijn houding bij Herman en Ozer, en de tweehonderd gulden daarachter, die wenken als grondlegging voor het kapitaaltje dat hem met solieder kans dan ooit, een ruimer koopmanschap zal bezorgen, ontspant zijn krachten in een wijd zinnelijk aanzien van de wereld. Zijn geest zet uit, slaat een eind omhoog, zweeft boven zijn verhoudingen rond, en snuift den hoogen zonnigen bries van opwekkende, longen-zuiverende, uitgeschoven verschieten. „Nog eerder,” zegt hij kalm en vast met zijn blik in Eli, alsof die duidelijk genoeg gesproken had, „kun je in de wereld een tippel maken, ja, en op je poonem vallen dat je met een kapot gezicht weer op moet staan (Eli lacht zenuwachtig op) dan dat een mensch niet lééft!”
Hij zwijgt. Hij ziet Eli met gebogen hoofd voor zich heen staren, met zijn grootste oogen, en wendt zich af. Beiden hebben zij een gewond menschenhart vermoed; beiden pogen zij vruchteloos het dikke schemergordijn te doordringen waarachter het zich verborg; trachten zich over het diepe letsel heen te buigen, staan te trappelen om de leering er van in zich op te nemen. De een verwarder, dichter op de zelfzucht teruggeworpen dan de ander: de vader in stoffelijker verlangens gewikkeld dan het kind. Want het kind, dankbaar voor de krachtigste uitspraak van den vader, voelt zich aangegrepen door wenschen die hjj geen vorm kan geven, verlangens die grondeloos schijnen en het lichaam van den aard-bodem waarop het staat, willen wegtillen. Diepe verlangens van
127