waar komt in ’s hemelsnaam komt al die gal vandaan! Ze hebben gemeend dat het van het slachten is, maar lou!” Jankef danst erbij, terwijl hij oolijk zingt:
„Dat komt Van de liefde....”
Meyer glimlacht scheef. En uit Evelien’s keel bevrijdt zich een korte, zenuwachtige, maar toch met verheugenis geladen lach-scheut.
„Ik zeg meneer: de gaiwe (trots) zit erin. Ja hoe kómt ze der-an!” roept Jankef vleiend, „hoe komt ze an de krootsjekat (grootschheid). Hoe kómt Evelientje Meyer aan het hoofd in de nek tegen Aaronnetje de Leeuw, ja!”
Hij heeft Meyer beet: Betje van Gelderen die dien verheerlijkt ziet glimlachen, durft zelfs zachtjes op te gieren om dien rakker van haar „Baas”.
„Is ’t dan niet zoo?” vraagt Jankef, nu hij Meyer’s laatste verzet tegen zijn recht tot spreken gebroken heeft, „is dat dan potverdomme een man voor zooiets‘1 Een kleine flinke gekas-jerde nulliteit?” Hij kan den onbeduidenden zoon van den rijken slager niet luchten. En zijn sympathie met Evelien is zijn slaafschheid jegens het kind van zijn meester, dat hij tot mooie burgerdochter heeft zien opgroeien. En ook de stille werkzaamheid van den veroveraar, wien te kort is gedaan.
„Evelientje” verzekert hij,
„Evelientje,
Zoent geen Katsef,
Voor geen tientje!”
Hij weet van geen verliefdheid in haar. Maar behalve de veroveraar, drijft de stille ontbinder die in zijn diepte leeft, de lust in hem op, de leugen al vast goed door te branden. En Evelien is overgevoelig in haar schik met hem.
„Wat zeg je van ’m?” roept ze tot haar vader, „wat zeg je van zoo’n mannen-keurmeester? Ja,” lacht zij naar Jankef op, terwijl zij nu zijn arm neemt, „hij zal wel een echte minnaar geweest zijn, wat Leefmans?”
„Of ik een minnaar geweest ben? Ja daar wreet je natuurlijk niks van af, en niemand hier. Want Vader die was óf nog niet hier, of hij keek me nog niet in mijn gezicht. Maar daar hoef ik nou niet grootsch op te wezen, maar te verzwijgen
124