dóét zijn best (hij wendt zich daarbij slim tot Betje) maar koosjer gaat ’t ’m niet af.”
„Ik ben zeer bezet.”
„Wat heeft dat met dat te maken? Bezet is zoo erg niet. Als men maar niet bezeten is.”
„Be-je mesjogge geworden?” boos tot het schoolkind Jankef. „Mesjogge, nee. Maar het is niet zuiver op de graat. Ik ben blij, met wat je me gebracht hebt, dat zeg ik nog ’s. Mooi om het me hier te brengen, dat meen ik. Maar je moet niet vergeten meneer: ik heb je geloof ik, vandaag al ’s eerder een keer gesproken. Hoe-oe! Haha!”
„Hè! Ik vraag je toch niks?”
„O maar dat hoeft ook heelemaal niet! Wie der vragen moet, dat ben ik. Ik moet altijd vragen, maar wat je van mijn krijgt, daar hoef je niet om te vragen, dat krijg je voor niks.” „Mesjoggene socialistische praatjes, voor een Jehoede!” „Socialistische praatjes? Is dat dan niet zoo?”
„Wij hier in Holland hebben geen klagen. De Oranjes zijn weldoeners voor ons.”
„Of ze weldoeners zijn? Ze hebben mij bij mijn weten nog nooit geen kwaad gedaan. Alleen: heelemaal zuiver Oranje is het niet, want het geeft blauw af. Ja? toen ik ze om een paar handelscenten heb gevraagd, heb ik een blauwe scheen gekregen. Maar wacht,” lacht hij steeds joliger, „ja, ik zal eerst dat mooie pampiertje goed wegstoppen dat je me daar gegeven hebt, want ik ben bang as je kwaad wordt dat je ’t me weer uit m’n jodajem grijpt, zie.”
Meyer lacht, al is het zonder veel klank; daar kan hij niet tegen op.
„Nee meneer: alle gekheid op een stokkie, maar ik zeg het je: wen ze nit wollen, dan wollen ze nit. Daar is toch niks niemendal aan te doen. Daarmee is alles gezegd.”
„Hè!” weert Mever af met een schertsend gebaar van afkeer. Maar Jankef heft zjjn hoofd, en met een tik op zijn zak waar de vijfentwintig gulden zitten, zegt hij trots:
„Of je nou hoog springt of laag springt: de gaiwe (trots) zit er in, en je kunt fluiten met je bloederige goosen.” (bruidegom)
„Düs dan heeft hij tóch gepraat?”
„Hij? Ik zeg je toch: geen woord? Maar wat meen je dat „die ander” niet praat? Ozoo! ” liegt hij ondeugend als Meyer fronst, „de man ja, de vader dan vanzellef, loopt toch zeker de gal bij stróómen tot buiten de deur? dat de heele stad die vraagt:
123