Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



was, aan zijn hals te mogen hangen, en dat die blonde verzorgde, rustig liggende snor haar opjoeg om er op te zoenen en veilig te worden teruggezoend. Natuurlijk, zij weet wel: mannen die je zou willen zoenen, zijn er zooveel. Maar al is haar opvoeding dan een beetje verwaarloosd, zij heeft van Branca, en vooral van haar eigen verstandigen aanleg wel geleerd, dat je uit die mannen voor de liefde, (dat is voor het huwelijk) diè moet kiezen aan wie je je zou durven toevertrouwen in de maatschappij. Dat zij geen kans heeft, dat voelt zij wel, maar dat dit een man is, dat weet zij ook. Een man zooals zij hem wil, van de velen die zij voorbeeldig weet, plichtbewust, met idealen, en toch practisch. Iemand die zijn leven maakt, frisch, altijd jong, en boeiend met die beschaving die van de groep is waartoe zij wil behooren. Een afschuwelijke vrouw heeft hij, een boerenmeid, hoe is het mogelijk! het lijkt of ze zoo van achter de karn wegkomt. En zij, zij is mooi, dat weet hij wel, Born. Zij is pas mooi genoeg voor zoo’n man, een man om aan de hals te hangen, om krijgertje mee te spelen, in huis. En om buitenshuis mee te verschijnen als twee menschen die sterk hun plichten kennen, en die de waardigheid van hun kring hoog houden. O! het is krankzinnig, afschuwelijk, en verrukkelijk, maar zij is nu vol van hem. En nu zoekt zij steun, overal, in haar gebroken gevoelens; zij zou tegen iemand aan kunnen vallen, zoo los, zoo opengescheurd, zoo ontschroefd voelt zij zich van binnen. Zij kijkt naar Jankef, naar Eli. Tegen Jankef zou zij huilend kunnen gaan steunen. In Eli voelt zij een hatelijke, een afrekenende en wegende stilte, een grond van bitse, werende eigenwijze strengheid. Een overdreven mispuntig kind, met een eisch die haar niet blijvend achten wil, een onwilligheid die doorbijt in de gevoelens die haar niet minder heilig dunken, al verschiet de grondigheid ervan altijd ergens ontzinkend bij haar....

„Best mogelijk,” zegt Meyer bitter, „dat er een enkele goeie onder door loopt, maar overigens....” Hij wendt zich schert-send-gemeenzaam naar Jankef en Eli: „houdt ze in de gaten.” Hij trekt Eli aan zijn oor.

„Wat? houdt ze in de gaten.”

Eli lacht. Hij durft nu niets zeggen, om Meyers blijven of heengaan niet te be-invloeden. Want Meyer staat wel al dien tijd, maar hij is nog niet van Jankef af.

„Ja meneer,” schertst die, „ik weet ’t wel: vandaag is het niet zoo heel erg best met je gesteld. De ware bui die is er niet. Hij

122
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.