en geestelijke verzorgdheid van den intellectueelen middenstand : een rust, een gaafheid, die hij niet bezitten kan, en die hij, anders dan Evelien, voor beheersching en fijnzinnige viering van het leven aanziet: „O, het is zoo’n fijn soort Gajes, die lui! Het zijn geen drukte-makers, het zijn geen opscheppers, het zijn geen minachters van iemand die werkt voor zijn brood, het zijn menschen die wat begrijpen en wat hebben, zonder der met èèn woord over te kikken, en hun gang gaan! Ozoo! Géén kwaad van de Jidden.... maar de Jood met centen.... kan er niet aan ruiken! Dat zeg ik!”
„Onzin!” roept Meyer boos. „Ja, de uitzonderingen eronder, de werkelijk beschaafde. En vindt men die niet onder de Joden?” „Weinig! Minder! Zeldzaam!” klemt Jankef.
Meyer trekt zijn oogen en schouders op. En Eli weifelt. Hij wil wel dat het zoo zal zijn, maar hij voelt in vader de gemakzuchtige overdrijving, de aansluiting bij zijn dolle broers, die hij soms van vader kent: het zich overgeven aan het pleizier van het oogenblik.
Voor de anderen onmerkbaar, ontroert Evelien ervan tot een ruime zoetheid in zich, en als steeds weer tot de spanning van den angst. Want wat zij verstaat uit dien lof aan de Bree, en aan zijn kring, dat is voor haar van Born gezegd. En Jankef begrijpt den glans niet dien hij gewekt heeft; die in puntjes van haar oogen verschijnt, en waarachter zij haar zalig mengsel van angst, geluk en spanning ondergaat, en van innerlijke beving om de dubbele ontoonbaarheid van dat alles. Geen oogenblik nog vandaag was Aaronnetje de Leeuw zoo ver, en voelde zij zich zoo bijna heilig gesteund in haar afwijzing en ja, ook in haar verliefdheid, als hier tegenover Jankef Leefmans. In dit huis, dat zyn grondige, maar naakte, warme levens-echtheid in den aan-schemerenden avond zoo onverwacht en toch niet in zichzelf ongekend, om haar wikkelt: om den nood van haar onzekerheid, en den hang naar zelf-vervulling; en dat haar trilling in haar blootlegt. Naar haar lust neemt Evelien die stemmingskracht tot zich; zij neemt er uit wat haar dienstig is: tot haar eigen diep-sten grond dien zij daarmee vreest te ploegen, laat zy ze niet aandringend door. Natuurlijk, in dit kleine stadje, hebben zij hem straks op straat ontmoet: Born. Hij heeft zijn hoed afgenomen; Vader ook. En Vader heeft gezwegen, terwijl zij, met haar blik naar de verschietende en vervloeiende straatsteenen, naast hem voortliep. Maar hoe moet zij hem dat eene oogenblik hebben aangekeken: Born! wrant pas toen hij voorbij was, wist zij dat: wat het dan is, dat is het, maar dat het haar wensch
121